Alternatieve beleidsopties ruimte voor de klimaat- en energiestransitie

Binnen deze opgave zijn 8 beleidsopties overwogen, namelijk:

  1. Lage temperatuur warmte

  2. Hoge temperatuur warmte

  3. Kracht en licht

  4. Mobiliteit

  5. Voedsel en natuur

  6. Klimaatadaptatie

  7. Inzet van rijksgronden en rijksvastgoed als vliegwiel

  8. Kraam- en versnellingskamers klimaat

Beleidsoptie 1: Lage temperatuur warmte

Het gebruik van fossiele brandstoffen voor verwarming en warm water in gebouwen en glastuinbouw kan enerzijds worden beperkt door warmte besparende maatregelen (isolatie van gebouwen, verantwoord energiegebruik), maar ook door gebruik te maken van warmtebronnen in de omgeving (geothermie, oppervlaktewater, lucht, restwarmte), hernieuwbaar gas (zoals biogas en waterstof) en door hernieuwbare elektriciteit om te zetten in warmte. Dergelijke ontwikkelingen kunnen invloed hebben op de leefomgeving, waaronder de belangrijkste: werkgelegenheid, economie, kennis en innovatie en de kwaliteit van het oppervlaktewater. De overheid kan gebieden voor geothermie, warmtecentrales en warmtenetten aan te wijzen of uitsluiten. Dit kan op Rijksniveau (optie 1a), maar ook op regionaal of lokaal niveau (optie 1b). Kaders voor het benutten van warmtebronnen kunnen voor extra bescherming zorgen voor de kwaliteit van de fysieke leefomgeving (waaronder veiligheid, natuur-, cultuur- en landschapswaarden). Deze kaders kunnen opgenomen worden in rijksregelgeving of gezamenlijk worden vormgegeven in prestatieafspraken (optie 1c).

Beleidsoptie 2: Hoge temperatuur warmte

Industriegebieden (zoals Rotterdam/Moerdijk, Noordzeekanaal, Zeeland/West-Brabant en Sittard/Geleen) leveren een grote bijdrage aan de uitstoot van broeikasgassen. Deze uitstoot kan o.a. worden teruggedrongen door het aandeel duurzame energie te verhogen, hergebruik van restwarmte en vraag- en aanbod van hernieuwbare energie dichter bij elkaar te brengen. Dit heeft een ruimtelijke impact. Het Rijk kan gebieden voor energie-intensieve industrieclusters aanwijzen en uitsluiten (optie 2a). Het Rijk kan deze afweging ook overlaten aan de provincie, regio, gemeenten of een initiatiefnemer (optie 2b).

Beleidsoptie 3: Kracht en Licht

De productie van (hernieuwbare) energie door o.a. windmolenparken en zonneweides heeft een ruimtelijke impact en kan invloed hebben op de kwaliteit van de leefomgeving. Het Rijk kan ervoor kiezen gebieden aan te wijzen en uit te sluiten voor grootschalige elektriciteitsproductie. Locaties kunnen in samenspraak met de provincies worden gekozen en vervolgens vastgelegd in de provinciale of intergemeentelijke omgevingsvisie (optie 3a). Het Rijk kan ook kiezen zelf geen gebieden (voor productie, transport en opslag) aan te wijzen of uit te sluiten. De regio’s kunnen dan zelf hun keuze maken om gebieden aan te wijzen. Het Rijk kan met provincies prestatieafspraken maken over productievermogen en over transport- en opslagmogelijkheden om duurzaamheidsdoelstellingen te halen (optie 3b). Verder kan het Rijk een kader opstellen voor de afweging over hernieuwbare energieproductie, transport en opslag, om onder andere de schaarse energiebronnen optimaal te gebruiken en de kwaliteit van de leefomgeving te beschermen (optie 3c).

Beleidsoptie 4: Mobiliteit

Ook op het gebied van mobiliteit is de doelstelling om mindder broeikasgassen uit te stoten. Deze opgave kan worden gerealiseerd door het verminderen van vervoersbewegingen, efficiëntere voertuigen en de inzet van hernieuwbare energie. Keuzes hierin kunnen invloed hebben op de fysieke leefomgeving, waaronder de woon-werk locaties, ruimte voor duurzame energie en vervoersstromen. De effecten voor de leefomgeving hangen af van de keuze voor alternatieven: batterij-elektrisch, waterstof, rijdend laden en/ of biobrandstof. Het Rijk kan de keuze (mede in internationaal verband) voor een alternatief maken (optie 4a). Het Rijk kan de keuze voor alternatieven en de aanleg van de infrastructuur ook aan de markt overlaten (optie 4b) of aan regionale en lokale overheden (optie 4c). Om de transitie verder te sturen, kan het Rijk kaders meegeven voor duurzame mobiliteit, inclusief milieuzonering, overslagpunten en knooppuntontwikkeling (optie 4d).

Beleidsoptie 5: Voedsel en natuur

Veenweidegebieden dragen bij aan de uitstoot van broeikasgassen. Over verhoging van het waterpeil in veenweidegebieden kunnen beleidskeuzen gemaakt worden (optie 5a). Ook kunnen extra bos en bomen worden toegevoegd voor het vastleggen van CO2 (optie 5b).

Beleidsoptie 6: Klimaatadaptatie

Het Rijk kan ervoor kiezen om klimaatadaptatie een ordenend principe in de ruimtelijke inrichting te maken. Dat kan leiden tot beperkingen voor het bouwen in kwetsbare gebieden zoals bijvoorbeeld veenweidegebieden of tot het hanteren van inrichtingsprincipes voor stad en land (optie 6a). Dergelijke maatregelen zijn een aanvulling op het het Deltaplan Ruimtelijke adaptatie. Een klimaatbestendige samenleving vraagt ook om een verandering in de wijze waarop de maatschappij omgaat met de gevolgen van klimaatverandering (optie 6b). Koppeling tussen kansen voor klimaatadaptatie en -mitigatie kunnen extra worden versterkt. Met name gaat het om de opgaven voor energietransitie, landschapsontwikkeling, landbouw en verstedelijking. Een beleidsoptie voor een integrale gebiedsgerichte benadering kan worden gestimuleerd (optie 6c).

Beleidsoptie 7: Inzet van rijksgronden en rijksvastgoed als vliegwiel

Het Rijk bezit gebouwen, wateren en gronden. Met deze bezittingen kan het Rijk zelf substantieel bijdragen aan klimaatneutraal en klimaatbestendig inrichten van Nederland. Eigen gronden en vastgoed inzetten als vliegwiel voor energiebesparing, duurzame energieopwekking en klimaatadaptatie.

Beleidsoptie 8: Kraam- en versnellingskamers klimaat

Om de energietransitie te versnellen is maximale samenhang tussen landelijk, regionaal en lokaal beleid gewenst. Goede afstemming kan helpen de ambities ook werkelijk te realiseren. Het Rijk kan aan de samenhang bijdragen door kraam- en versnellingskamers voor klimaatmitigatie aan te wijzen. Dit zijn afgebakende gebieden waar op basis van gelijkwaardigheid afrekenbare afspraken worden gemaakt.

Kansen en risico’s van de alternatieve beleidsopties

De kansen en risico’s van de beschouwde alternatieve beleidsopties zijn globaal in beeld gebracht:

Tabel 3.3 | Overzicht kansen en risico’s voor de klimaat en energietransitie

BELEIDSOPTIE

  • POSITIEF / VOORDEEL / KANS

  • NEGATIEF / NADEEL / RISICO

1. Lage temperatuurwarmte

  

A. Het Rijk wijst gebieden aan en sluit gebieden uit voor geothermie, warmtecentrales en warmtenetten.

  • Minder lozing van warm water in oppervlaktewater wat milieukwaliteit bevorderd

  • Lagere uitstoot van broeikasgassen om lage temperatuurwarmte op te wekken.

  • Minder lozing van warm water in oppervlaktewater zorgt voor een minder ontregelend effect op natuurlijke systemen in oppervlaktewater.

  • Minder lozing van warm water in oppervlaktewater zorgt voor een minder ontregelend effect op natuurlijke systemen in oppervlaktewater.

  • De benodigde ondergrondse infrastructuur voor levering van warmte kan mogelijk bovengrondse infrastructuur vervangen, wat ten goede kan komen voor het landschap en de openbare ruimte.

  • Burgers worden gefaciliteerd in het verduurzamen van hun energievoorziening door deze beleidsoptie

  • Gebruik van bestaande infrastructuur in bepaald gebied kan geoptimaliseerd worden door het te combineren met realiseren infrastructuur duurzame warmtebronnen

  • Duurzame warmtebronnen worden in gebieden ontwikkeld waar het potentieel het hoogst is voor warmteaanbieders en warmtevragers.

  • Deals tussen warmteaanbieders en warmtevragers kunnen regionaal voor een economische impuls zorgen

  • Arbeid nodig voor realisatie van duurzame warmtebronnen en-transport

  • Centrale sturing op ontwikkeling van duurzame warmtebronnen maakt middelen en capaciteit vrij voor kennisontwikkeling en innovatieontwikkeling

  • Minder fossiele brandstoffen nodig voor het leveren van lage temperatuurwarmte.

  • Er kunnen prestatieafspraken gemaakt worden waaraan vragers en aanbieders zich moeten houden

  • Warmte komend van infrastructuur kan natuurlijk systeem ontregelen (warmtevervuiling) waardoor milieukwaliteit achteruit kan gaan, door versnelde eutrofiëring bijvoorbeeld.

  • Warmte komend van de aan te leggen infrastructuur veroorzaakt opwarming van natuurlijke systemen wat schade kan doen aan het systeem door ontregeling van bioritme.

  • Natuur kan verstoord worden om benodigde infrastructuur aan te leggen

  • Warmte komend van de aan te leggen infrastructuur veroorzaakt opwarming van natuurlijke systemen wat schade kan doen aan het systeem door ontregeling van bioritme.

  • Warmtevervuiling kan de overlevingskans voor ongewenste exoten in natuurgebieden vergroten.

  • Openbare ruimte kan verstoord worden om benodigde infrastructuur aan te leggen.

  • Mogelijk gevoel van uitsluiting bij burgers die niet in het aangewezen gebied wonen maar wel gebruik willen maken van een duurzame bron van lage temperatuurwarmte

  • Woonomgeving kan verstoord worden om benodigde infrastructuur aan te leggen.

  • Het aanleggen van geothermie, warmtecentrales en warmtenetten legt een groot beslag op de ruimte in de ondergrond.

  • Gebruik van restwarmte kan conflicteren met ambitie van industrie om hun processen zo efficiënt mogelijk in te richten om de productie van restwarmte te voorkomen.

  • Natuurlijke hulpbronnen benodigd om infrastructuur te realiseren

B. Het Rijk laat de keuze van warmtebronnen, -opslag en -infrastructuur over aan de provincie, regio’s en gemeenten.

  • Benodigde infrastructuur kan beter ingepast worden in landschap met gebiedskennis

  • Participatie in ontwikkeling infrastructuur kan beter opgezet worden

  • Infrastructuur wordt beter ingepast in woonomgeving door aanwezige gebiedskennis dan dat er op Rijksniveau hierop gestuurd wordt

  • Infrastructuur wordt beter ingepast in bestaande infrastructuur

  • Door gebiedskennis worden aanbieders en vragers beter aan elkaar gekoppeld waardoor de betaalbaarheid groter wordt

  • Meekoppelkansen kunnen beter benut worden doordat op regionaal niveau beter bekend is welke opgaves er liggen

  • Participatie kan op lokaal niveau gestimuleerd worden door regionale overheden

  • Regio-overstijgende landschapskenmerken kunnen weinig aandacht krijgen in gebiedsproces om infrastructuur tot stand te brengen omdat verantwoordelijkheid van regionale overheden hier niet over gaan

  • Het aansluiten van regionale infrastructuur op landelijke infrastructuur of infrastructuur van een andere regio kan bemoeilijkt worden wanneer hier niet centraal op gestuurd wordt.

  • Het is afhankelijk van de lokale uitvoeringskracht of initiatieven voor duurzame levering van lage temperatuur-warmte ontwikkeld worden omdat er geen centrale sturing is

  • Versnippering van ontwikkeling van duurzame warmtebronnen kan ervoor zorgen dat er op lokaal niveau niet voldoende middelen zijn om innovaties en kennis (verder) te ontwikkelen

  • Inzet op realisatie duurzame warmtebronnen worden is afhankelijk van lokale bereidheid tot investering

C. Het Rijk stelt een kader op voor de beoogde CO2-reductie, de afweging voor warmtebesparing, de afweging over de toepassing van warmte-alternatieven voor aardgas, de bescherming van de kwaliteit van de leefomgeving.

  • Effecten van opwekking, opslag en transport van warmte op milieu en gezondheid kunnen door kaders gemonitord en beperkt worden.

  • Veiligheid rondom warmte-infrastructuur wordt binnen door het Rijk vastgestelde kaders gewaarborgd

  • Leveringszekerheid van lage temperatuurwarmte wordt door kaders geborgd

  • CO2-reductie wordt afdwingbaar, in ieder geval binnen de opgestelde kaders.

  • Warmtebesparing in bestaande bewoonde omgeving wordt afdwingbaar

  • Manier waarop CO2-reductie wordt gerealiseerd en berekend is navolgbaar

  • Natuurwaarden kunnen worden beschermd door de opgestelde kaders

  • Cultuurhistorische waarden in het landschap kunnen worden beschermd

  • De kwaliteit van de leefomgeving wordt beschermd en waar mogelijk verbeterd door de opgestelde kaders

  • Cultuurhistorische waarden kunnen beschermd worden in bebouwde omgeving door opgestelde kaders.

  • Ruimtelijk-economische structuur rondom lage temperatuur-warmte kan in samenhang ontwikkeld worden

  • Er wordt werkgelegenheid gecreëerd door de afdwingbaarheid van warmtebesparing: isolatie, aanleggen van warmte-netwerken, geothermische installaties etc.

  • Er kan een goede inschatting worden gemaakt voor de betaalbaarheid van duurzame warmtebronnen

  • Binnen de kaders kunnen de mogelijkheden om CO2-reductie door duurzame warmtebronnen te realiseren verkend worden door innovaties en kennisontwikkeling.

  • Kaders bieden kennis en inspiratie om duurzame warmtebronnen te ontwikkelen

  • Lager verbruik van niet-hernieuwbare grondstoffen en brandstoffen

  • Afwegingskaders kunnen gebruikt worden om eisen te stellen aan hernieuwbaarheid van grondstoffen die nodig zijn voor het aanleggen van infrastructuur.

  • Er wordt een lagere CO2-reductie nagestreefd dan wat nodig is om de Parijsdoelen te halen, doordat de kaders te veel ruimte laten om eigen doelen te stellen.

  • Participatie onder bewoners wordt bemoeilijkt door het opleggen van kaders, die geen ruimte laten voor een bottom-up ontwikkeling

  • Kaders sluiten niet aan op wat op regionaal en lokaal niveau mogelijk is, waardoor motivatie om aan doelstellingen bij te dragen minder wordt en vertrouwen in overheid geschaad wordt.

  • Mogelijkheden om infrastructuur binnen korte tijd te realiseren worden bemoeilijkt door de opgestelde kaders

  • Kaders sluiten niet aan op wat op regionaal en lokaal niveau mogelijk is, waardoor beoogde CO2-reductie niet gehaald wordt

  • De opgestelde kaders kunnen bedrijven en burgers dwingen te investeren in infrastructuur, voordat een goed ontwikkeld terugverdienmodel is ontwikkeld.

  • Burgers zijn niet in staat benodigde investering te doen, terwijl warmtebesparing afgedwongen wordt door de opgestelde kaders.

2. Hoge temperatuurwarmte

  

A. Het Rijk wijst gebieden aan en sluit gebieden uit voor energie-intensieve industrieclusters, op basis van de locaties voor hernieuwbare brandstoffen en warmtemodaliteiten. Het Rijk faciliteert alleen in de aangewezen gebieden brandstofinfrastructuur en –opslag, CCS en warmtebronnen en –netten.

  • Minder fossiele verbranding, minder uitstoot fijnstof

  • Minder CO2-uitstoot

  • Collectieve voorzieningen zijn efficiënt en sparen leefomgeving, natuur en beperken onnodig ruimtegebruik.

  • Kosten voor rekening staat, niet voor huishoudens

  • Creëert veel werkgelegenheid in onderwijs, bouw, infrastructuur en installatie sector

  • Kennis als exportproduct-

  • Biedt vanwege de schaalgrootte kansen voor circulaire aanleg

  • Impuls voor circulair maken economie in sector

  • Energiebronnen zijn hernieuwbaar en drukken dus minder op hulpbronnen dan kool/gas.

  • Het aanwijzen van gebieden voor energie-intensieve industrieclusters kan aansluiten op bestaande clusters (zoals HiC Rotterdam en IJmuiden), maar ook op nieuwe gebieden waar energie-intensieve industrie zich kan gaan ontwikkelen.

  • Nieuwe gebieden kunnen zich gericht ontwikkelen in die regio’s waar energie of warmte nabij wordt opgewekt, of rond gebieden waar deze wordt opgeslagen of gedistribueerd.

  • Bij hoge temperatuur warmte processen komt ook restwarmte vrij. Om deze goed te benutten zal deze beste worden gepositioneerd in de nabijheid van lage temperatuur warmtevragers.

  • Infrastructuur en transport zal zich uitstrekken tot buiten de aangewezen gebieden. Dit betekent dat de leefomgevingseffecten zich niet tot de regio beperken. Op rijksniveau kan hierop worden ingespeeld.

  • Grootschalige realisatie (gebaseerd op circulariteit) geeft een impuls aan economische topsectoren vanuit energie-transitie/duurzaamheid.

  • Indien Nederland dit grootschalig gaat toepassen ontstaat kennis die ook elders in de wereld kan worden ingezet/ te gelde gemaakt.

  • Enkele locaties in Nederland zijn technisch geschikt voor CCS.

  • Interferentie met zeevaartroutes veiligheidsrisico

  • Concentratie opwek/opslag beperkt ruimte- en natuurbeslag

  • Bij aanleg: verstoring bodem en ondergrond + onderwatergeluid

  • Geothermie risico voor waterkwaliteit

  • Druk op flora en fauna Noordzee

  • Verandering van landschap, aantal open gebieden neemt af, overal energieopwekking

  • Grote verandering in leefomgeving en benadrukken urgentie en tempo in combinatie met onbekende technieken zorgt voor onrust en druk op participatie en samenhang.

  • Hoge temperatuur industriële processen zijn vaak risicovol en toevoegen van extra infrastructuur kan cumulatieve effecten geven op de leefomgeving.

  • Extra belasting leefomgeving langs infrastructuur, versterkt door keuze voor verstedelijking

  • Huishoudens zijn minder betrokken bij snelle verduurzaming.

  • Oververhitting/belasting van de markt

  • Niet tijdig beschikbaar benodigde kennis en goed opgeleide mensen

  • Er is nog weinig ervaring met CCS en CSU en duurzame productie van waterstof. Onvoorziene risico’s voor leefomgeving en realisatietempo zijn daarom relatief groot

  • Veel risico’s bij het boren naar geothermie zijn vergelijkbaar met die in de olie- en gassector. De sector heeft nu een zwakke veiligheidscultuur, de veiligheid- en milieurisico’s worden in het algemeen onvoldoende herkend en beheerst; en wet- en regelgeving worden niet goed genoeg nageleefd.

  • Indien te weinig duurzame brandstof beschikbaar is, is importeren nodig. Hiermee verschuift de ruimteclaim naar het buitenland.

  • Mogelijk dat waterstof bij grootschalige inzet ook zal gaan dienen als primaire brandstof voor voertuigen en gebouwen. Dit heeft dan ook gevolgen voor risico’s in de bebouwde omgeving.

  • De ruimteclaims op de Noordzee worden fors groter: denk aan grootschalige windparken, CCS, productie waterstof. Dit kan conflicteren met bestaande functies van transport en visserij en landbouw op zee.

  • De maatschappelijke acceptatie is vermoedelijk niet groot.

  • Mogelijk dat waterstof bij grootschalige inzet ook zal gaan dienen als primaire brandstof voor voertuigen en gebouwen. Dit heeft dan ook gevolgen voor risico’s in de bebouwde omgeving.

B. Het Rijk laat locatiekeuze en de bijbehorende ontsluiting van bronnen, opslag en infrastructuur over aan de regio en de markt.

  • Minder fossiele verbranding, minder uitstoot fijnstof

  • Minder C02 uitstoot

  • Creëert werkgelegenheid in onderwijs, bouw, infrastructuur en installatie sector

  • Impuls voor circulair maken economie in sector

  • Energiebronnen zijn hernieuwbaar en drukken dus minder op hulpbronnen dan kool/gas.

  • Collectieve voorzieningen zijn efficiënter

  • Zorgt voor onnodig ruimtegebruik en veel effecten op de leefomgeving en de natuur

  • interferentie met zeevaartroutes veiligheidsrisico

  • Infrastructuur en transport zal zich uitstrekken tot buiten de aangewezen gebieden. Dit betekent dat de leefomgevingseffecten zich niet tot de regio beperken. Hier kan niet op worden ingespeeld.

  • Sluit naar verwachting minder goed aan op bestaande clusters.

  • Nieuwe gebieden worden niet gericht ontwikkeld en restwarmte kan niet efficiënt worden benut.

  • Hoge temperatuur industriële processen zijn vaak risicovol en toevoegen van extra infrastructuur kan cumulatieve effecten geven op de leefomgeving. Zeker als hier niet op rijksniveau gestuurd kan worden.

  • Kosten voor rekening huishoudens

  • Bij aanleg: verstoring bodem en ondergrond + onderwatergeluid

  • Geothermie risico voor waterkwaliteit

  • Druk op flora en fauna Noordzee

  • Verandering van landschap, aantal open gebieden neemt af, overal energieopwekking

  • Enkele locaties in Nederland zijn technisch geschikt voor CCS. Op regionaal/marktniveau kan hier minder op gestuurd worden.

  • Grote verandering in leefomgeving en benadrukken urgentie en tempo in combinatie met onbekende technieken zorgt voor onrust en druk op participatie en samenhang.

  • extra belasting leefomgeving langs infrastructuur, versterkt door keuze voor verstedelijking

  • Huishoudens zijn minder betrokken bij snelle verduurzaming.

  • Oververhitting/belasting van de markt

  • niet tijdig beschikbaar benodigde kennis en goed opgeleide mensen

  • Er is nog weinig ervaring met CCS en CSU en duurzame productie van waterstof. Onvoorziene risico’s voor leefomgeving en realisatietempo zijn daarom relatief groot

  • Veel risico’s bij het boren naar geothermie zijn vergelijkbaar met die in de olie- en gassector. De sector heeft nu een zwakke veiligheidscultuur, de veiligheid- en milieurisico’s worden in het algemeen onvoldoende herkend en beheerst; en wet- en regelgeving worden niet goed genoeg nageleefd.

  • Indien te weinig duurzame brandstof beschikbaar is, is importeren nodig. Hiermee verschuift de ruimteclaim naar het buitenland.

  • De ruimteclaims op de Noordzee worden fors groter: denk aan grootschalige windparken, CCS, productie waterstof. Dit kan conflicteren met bestaande functies van transport en visserij en landbouw op zee.

  • De maatschappelijke acceptatie is vermoedelijk niet groot.

  • Mogelijk dat waterstof bij grootschalige inzet ook zal gaan dienen als primaire brandstof voor voertuigen en gebouwen. Dit heeft dan ook gevolgen voor risico’s in de bebouwde omgeving.

3. Kracht en licht

  

A. Het Rijk wijst gebieden aan en sluit gebieden uit voor grootschalige hernieuwbare energieproductie, -transport en -opslag.

  • Door concentratie in grotere gebieden wordt versnippering voorkomen.

  • M.b.t. wind: grotere windturbines hebben minder ecologische impact op vogels. Beide effecten dragen bij aan meer biodiversiteit.

  • Andere vormen dan windenergie: kleinere ruimtevraag voor energie op land

  • Voor het transport van op zee opgewekte energie bestaan verschillende opties. In geval van grotere aaneengesloten gebieden zijn er meer mogelijkheden voor het bundelen van kabels / minder kabels met meer capaciteit. Dit beperkt het effect op andere functies en natuur.

  • Meer hernieuwbare energie leidt tot minder fossiele energie en dat weer tot minder fijnstof in de lucht

  • Bundeling in grotere gebieden maakt veiligheidsrisico’s beter beheersbaar.

  • Meer hernieuwbare energie: minder CO2

  • Elders minder belasting

  • Kans op grotere aaneengesloten gebieden minder invloed op woonomgeving (meer draagvlak)

  • Grotere gebieden maken opgave hernieuwbare energie zichtbaar. Dit heeft aanzuigende werking op inzet van kennisgelden, innovatie en bedrijvigheid

  • Afhankelijkheid van buitenland voor energie neemt af

  • Door het concentreren van de energieproductie in grotere wind- of zonneparken wordt versnippering in het landschap voorkomen en ook bundeling van opwekmethoden (zon onder wind e.d.). Daardoor zijn kansen voor grotere aaneengesloten natuurgebieden hetgeen positief bijdraagt aan biodiversiteit.

  • Het aanwijzen van grotere gebieden zorgt voor een grotere afstand opwek en afnemer maar biedt ook kansen op bundeling hiervan en minder doorsnijden van natuur.

  • Grootschaliger gebieden kan leiden behoefte aan geconcentreerde opslag in de nabijheid van opwek. Dat vermindert pieken in de rest van het net.

  • Door grootschaligheid komen windmolens minder vaak in directe omgeving, maar wel in wijdere omgeving

  • Nederland wijst geen gebieden in het buitenland aan. De vertaling van de beleidsoptie naar dit ‘beginpunt’ is dat er gekozen wordt voor minder maar zwaardere kabels vanaf de grens naar het binnenland en grotere opslagfaciliteiten bij de aanlandingspunten in Nederland.

  • De effecten zijn dat minder gebieden worden doorkruist, hetgeen onder andere goed is voor biodiversiteit, landschappen en draagvlak/welzijn.

  • In hernieuwbare energiegebieden extra belasting leefomgeving

  • Grote ruimtelijke opgave op land: verdringing bestaande bedrijvigheid in havens

  • Grote gebieden kunnen als een bedreiging worden gezien voor landschappelijke waarden

  • Het aanwijzen van grotere gebieden vraagt om kabels met meer capaciteit (duurder)

B. Het Rijk laat de keuze voor gebieden voor hernieuwbare energieproductie, -transport en -opslag over aan de regio.

  • Meer hernieuwbare energie leidt tot minder fossiele energie en dat weer tot minder fijnstof in de lucht

  • Meer hernieuwbare energie: minder CO2

  • Versnippering

  • In hernieuwbare energiegebieden extra belasting leefomgeving

  • Grote ruimtelijke opgave op land: verdringing bestaande bedrijvigheid in havens

  • Minder mogelijkheden voor bundelen van kabels/minder capaciteit. Groter negatief effect op natuur/landschap.

  • Versnippering zorgt ervoor dat veiligheidsrisico’s minder beheersbaar worden.

  • Versnippering meer invloed op woonomgeving/natuurgebieden

C. Het Rijk stelt een kader op voor de afweging over hernieuwbare energieproductie, -transport en –opslag, om de beoogde hoeveelheid opwekking, onder andere de schaarse energiebronnen optimaal te gebruiken en de kwaliteit van de leefomgeving te beschermen.

-

-

4. Mobiliteit

  

A. Het Rijk kiest voor batterij-elektrisch en/ of waterstof-elektrisch en/of rijdend laden en/ of biobrandstoffen en faciliteert in de bijbehorende laad-, tank-, opslag en transportinfrastructuur

  • Minder fijnstof en minder raffinage en verbranding van fossiele brandstoffen

  • Minder opslag en transport nodig van fossiele brandstoffen

  • Minder CO2-uitstoot mits opwekking van elektriciteit op een duurzame manier gedaan wordt

  • Slimme combinaties van nieuwe en bestaande infrastructuur; b.v. gas-infrastructuur benutten voor waterstof-infrastructuur.

  • Minder overlast door broeikasgasuitstoot in verstedelijkte gebieden wat positief effect op gezondheid kan hebben.

  • Toename in werkgelegenheid voor aanleg infrastructuur.

  • Het aanpassen van de woonomgeving op de nieuwe infrastructuur biedt kansen om andere opgaven mee te koppelen

  • Het verder ontwikkelen van waterstof-elektrisch rijden biedt kansen om verschillende industrieën en sectoren met elkaar te verbinden

  • Er kan slimmer om gegaan worden met pieken en dalen in energie-aanbod door elektriciteit met waterstof op te slaan.

  • Aanleg nieuwe infrastructuur schept op korte termijn werkgelegenheid

  • Kennisontwikkeling en innovaties rondom duurzame mobiliteit wordt hierdoor gestimuleerd. Impuls voor kenniseconomie als exportproduct.

  • Verminderd gebruik fossiele brandstoffen wanneer elektriciteit op duurzame manier opgewerkt wordt

  • Waterstof-elektrisch transport brengt veiligheidsrisico’s met zich mee in de hele keten.

  • Hoeveelheid CO2 die wordt uitgestoten om de infrastructuur te verwezenlijken, is niet duidelijk/nog moeilijk in te schatten. Grondstoffen voor batterijen worden schaarser en moeten vanuit buiten Europa geïmporteerd worden.

  • Teelt van grondstoffen voor biobrandstoffen kan in Nederland en daarbuiten ontbossing en verstoring van natuurlijke habitats veroorzaken.

  • Bij aanleg infrastructuur verstoring van omgeving (bodem, beschermde gebieden).

  • Grootschalige teelt van grondstoffen voor biobrandstoffen hebben negatieve invloed op inrichting van het landschap.

  • Beperkingen in beschikbare hoeveelheid ruimte voor bouw nieuwe infrastructuur.

  • Ieder huishouden moet toegang kunnen hebben tot de infrastructuur en voertuigen om duurzame mobiliteit te kunnen bereiken.

  • Nieuwe infrastructuur moet ingepast worden in bestaande infrastructuur en toegankelijk worden voor ieder huishouden, met grootschalige werkzaamheden als gevolg om dit te bereiken.

  • Huishoudens hebben geen toegang tot of beperkte mogelijkheid om aan te haken op transitie naar duurzame mobiliteit vanwege hoge kosten voor aansluiting infrastructuur.

  • Niet tijdig beschikbaar goed opgeleide mensen om infrastructuur aan te leggen en te ontwerpen.

  • Vervangingsopgave van bestaande voertuigen die niet voldoen aan nieuwe normen is mogelijk te groot voor huishoudens om deze zelf op te vangen.

  • Infrastructuur in het algemeen en brandstofcellen voor batterij-elektrisch rijden behoeven grote hoeveelheid (schaarse) metalen die vanuit buiten Europa aangeleverd moeten worden.

  • Landbouwgronden kunnen uitgeput raken door de intensieve teelt van biobrandstoffen.

  • De voedselproductie kan in het gedrang komen door de hoge vraag naar teelt van biobrandstoffen.

  • Bij eenzelfde of stijgende vraag naar elektriciteit, kan het nodig zijn om fossiele brandstoffen te blijven gebruiken voor de opwekking van elektriciteit.

B. Het Rijk kiest voor batterij-elektrisch en/ of waterstof-elektrisch en/of rijdend laden en/ of bio-brandstoffen en laat de aanleg van de bijbehorende laad-, tank-, opslag en transportinfra-structuur over aan markt.

  • Minder fijnstof en minder raffinage en verbranding van fossiele brandstoffen.

  • Minder opslag en transport nodig van fossiele brandstoffen.

  • Minder CO2-uitstoot mits opwekking van elektriciteit op een duurzame manier gedaan wordt.

  • Slimme combinaties van nieuwe en bestaande infrastructuur; bijvoorbeeld gas-infrastructuur benutten voor water-stof-infrastructuur.

  • Minder overlast door broeikasgasuitstoot in verstedelijkte gebieden wat positief effect op gezondheid en welzijn kan hebben.

  • Toename in werkgelegenheid voor aanleg infrastructuur.

  • De markt legt infrastructuur aan op plekken waar hiervoor de grootste vraag en het grootste potentieel voor gebruik ervan is waardoor de infrastructuur goed is afgestemd op de gebruiker.

  • Het aanpassen van de woonomgeving op de nieuwe infrastructuur biedt kansen om andere opgaven mee te koppelen.

  • Het verder ontwikkelen van waterstof-elektrisch rijden biedt kansen om verschillende industrieën en sectoren met elkaar te verbinden en slimmer om te gaan met pieken en dalen in energie-aanbod door elektriciteit met waterstof op te slaan.

  • Aanleg nieuwe infrastructuur schept op korte termijn werkgelegenheid.

  • Door marktwerking worden marktpartijen genoodzaakt te innoveren in het slimmer, beter en goedkoper aanleggen van benodigde infrastructuur. Dit kan zowel een kostenbesparing als een waarde-impuls voor de omgeving en de infrastructuur zelf opleveren.

  • Kennis rondom duurzame mobiliteit kan een waardevol exportproduct worden voor het Nederlandse bedrijfsleven.

  • Marktpartijen zullen naar alle waarschijnlijkheid een sluitende business case ontwikkelen voor het realiseren en exploiteren van de gevraagde infrastructuur, waardoor een duurzaam systeem gecreëerd wordt.

  • Verminderd gebruik fossiele brandstoffen wanneer elektriciteit duurzaam wordt opgewekt.

  • Waterstof-elektrisch transport brengt veiligheidsrisico’s met zich mee in de hele keten.

  • Hoeveelheid CO2 die wordt uitgestoten om de infrastructuur te verwezenlijken is niet duidelijk/ nog moeilijk in te schatten. Grondstoffen voor b.v. batterijen worden schaarser en moeten vanuit buiten Europa geïmporteerd worden.

  • Teelt van grondstoffen voor biobrandstoffen kan in Nederland en daarbuiten ontbossing en verstoring van natuurlijke habitats veroorzaken.

  • Bij aanleg infrastructuur verstoring van omgeving (bodem, beschermde gebieden).

  • Grootschalige teelt van grondstoffen voor biobrandstoffen hebben negatieve invloed op inrichting van het landschap.

  • Beperkingen in beschikbare hoeveelheid ruimte voor bouw nieuwe infrastructuur.

  • Infrastructuur wordt niet goed ingepast in bestaande landschap en openbare ruimte door andere prioritering van marktpartijen in hun opgave dan die van overheden.

  • Ieder huishouden moet toegang kunnen hebben tot de infrastructuur en voertuigen om duurzame mobiliteit te kunnen bereiken.

  • Nieuwe infrastructuur moet ingepast worden in bestaande infrastructuur en toegankelijk worden voor ieder huishouden, met grootschalige werkzaamheden als gevolg om dit te bereiken.

  • Huishoudens hebben geen toegang tot of beperkte mogelijkheid om aan te haken op transitie naar duurzame mobiliteit vanwege hoge kosten voor aansluiting infrastructuur.

  • Economische malaise of het wegvallen van overheidsfinanciering kan als gevolg hebben dat de benodigde infrastructuur op plekken niet of niet naar behoren wordt gebouwd.

  • Niet tijdig beschikbaar goed opgeleide mensen om infrastructuur aan te leggen en te ontwerpen.

  • Vervangingsopgave van bestaande voertuigen die niet voldoen aan nieuwe normen is mogelijk te groot voor huishoudens om deze zelf op te vangen.

  • Monopolievorming op nationaal niveau op het aanleggen van de benodigde infrastructuur, waardoor de baten door een beperkt aantal partijen geïnd worden.

  • Marktpartijen willen risico’s voor grootschalige infrastructuurprojecten niet aangaan omdat mate van exploitatie en slagen van het concept duurzame mobiliteit onzeker is waardoor overheid alsnog aan de lat staat om infrastructuur op nationaal niveau te ontwikkelen.

  • Infrastructuur in het algemeen en brandstofcellen voor batterij-elektrisch rijden behoeven grote hoeveelheid (schaarse) metalen die vanuit buiten Europa aangeleverd moeten worden.

  • Landbouwgronden kunnen uitgeput raken door de intensieve teelt van biobrandstoffen.

  • De voedselproductie kan in het gedrang komen door de hoge vraag naar teelt van biobrandstoffen.

  • Bij eenzelfde of stijgende vraag naar elektriciteit, kan het nodig zijn om fossiele brandstoffen te blijven gebruiken voor de opwekking van elektriciteit.

C. Het Rijk kiest voor batterij-elektrisch en/ of waterstof-elektrisch en/of rijdend laden en/ of bio-brandstoffen en laat de bijbehorende laad-, tank-, opslag en transportinfrastructuur over aan de provincies, de regio’s en de gemeenten.

  • Minder fijnstof en minder raffinage en verbranding van fossiele brandstoffen wanneer elektriciteit duurzaam opgewerkt wordt.

  • Minder opslag nodig van snel ontbrandbare fossiele brandstoffen.

  • Minder CO2-uitstoot.

  • Slimme combinaties van nieuwe en bestaande infrastructuur; b.v. gas-infrastructuur benutten voor water-stof-infrastructuur.

  • Minder overlast door broeikasgasuitstoot in verstedelijkte gebieden wat positief effect op gezondheid kan hebben.

  • Toename in werkgelegenheid voor aanleg infrastructuur.

  • Het aanpassen van de woonomgeving op de nieuwe infrastructuur biedt kansen om andere opgaven mee te koppelen.

  • Het verder ontwikkelen van waterstof-elektrisch rijden biedt kansen om verschillende industrieën en sectoren met elkaar te verbinden en slimmer om te gaan met pieken en dalen in energie-aanbod door elektriciteit met waterstof op te slaan.

  • Aanleg nieuwe infrastructuur schept op korte termijn werkgelegenheid in de regio.

  • Kennisontwikkeling en innovaties rondom duurzame mobiliteit wordt hierdoor gestimuleerd. Impuls voor kenniseconomie als (export)product.

  • Verminderd gebruik fossiele brandstoffen wanneer elektriciteit duurzaam wordt opgewekt

  • Waterstof-elektrisch transport brengt veiligheidsrisico’s met zich mee in de hele keten.

  • Hoeveelheid CO2 die wordt uitgestoten om de infrastructuur te verwezenlijken is niet duidelijk/ nog moeilijk in te schatten. Grondstoffen voor batterijen worden schaarser en moeten vanuit buiten Europa geïmporteerd worden.

  • Teelt van grondstoffen voor biobrandstoffen kan in Nederland en daarbuiten ontbossing en verstoring van natuurlijke habitatten veroorzaken.

  • Bij aanleg infrastructuur verstoring van omgeving (bodem, beschermde gebieden).

  • Grootschalige teelt van grondstoffen voor biobrandstoffen hebben negatieve invloed op inrichting van het landschap.

  • Beperkingen in beschikbare hoeveelheid ruimte voor bouw nieuwe infrastructuur.

  • Ieder huishouden moet toegang kunnen hebben tot de infrastructuur en voertuigen om duurzame mobiliteit te kunnen bereiken.

  • Nieuwe infrastructuur moet ingepast worden in bestaande infrastructuur en toegankelijk worden voor ieder huishouden, met grootschalige werkzaamheden als gevolg om dit te bereiken.

  • Huishoudens hebben geen toegang tot of beperkte mogelijkheid om aan te haken op transitie naar duurzame mobiliteit vanwege hoge kosten voor aansluiting infrastructuur.

  • Bij ontbreken van landelijke norm en coördinatie voor infrastructuur kan op landelijk niveau geen verbinding gemaakt worden tussen regionale infrastructuur.

  • Door het ontbreken van landelijk budget, sturing en capaciteit op het ontwikkelen van infrastructuur, kan het zijn dat de ontwikkelingen hierop in verschillende regio’s niet gelijk lopen, wat een remmend werking kan hebben op de transitie naar duurzame mobiliteit.

  • Niet tijdig beschikbaar goed opgeleide mensen om infrastructuur aan te leggen en te ontwerpen.

  • Vervangingsopgave van bestaande voertuigen die niet voldoen aan nieuwe normen is mogelijk te groot voor huishoudens om deze zelf op te vangen.

  • Infrastructuur in het algemeen en brandstofcellen voor batterij-elektrisch rijden behoeven grote hoeveelheid (schaarse) metalen die vanuit buiten Europa aangeleverd moeten worden.

  • Landbouwgronden kunnen uitgeput raken door de intensieve teelt van biobrandstoffen.

  • De voedselproductie kan in het gedrang komen door de hoge vraag naar teelt van biobrandstoffen.

  • Bij eenzelfde of stijgende vraag naar elektriciteit, kan het nodig zijn om fossiele brandstoffen te blijven gebruiken voor de opwekking van elektriciteit.

D. Het Rijk stelt kaders voor duurzame mobiliteit, inclusief milieuzonering, overslagpunten, knooppuntontwikkeling.

  • Milieukwaliteit in stedelijk gebied verbetert door een lagere uitstoot van broeikasgassen in milieuzones.

  • Uniformering in kaders voor infrastructuur zorgt ervoor dat veiligheidsrisico’s goed (moeten) worden afgewogen en hier ook toezicht op kan worden georganiseerd.

  • Milieukwaliteit in stedelijk gebied verbetert door een lagere uitstoot van broeikasgassen in milieuzones.

  • Rijkskaders laten ruimte voor initiatieven op een lokaal niveau wat de betrokkenheid van burgers kan vergroten.

  • In vergelijking met het stellen van normen vanuit het Rijk, kan het Rijk sturen op welke gebieden kennis en innovaties ontwikkeld moeten worden.

  • Door kaders te stellen in plaats van normen, worden marktpartijen uitgedaagd binnen de gestelde kaders nieuwe ideeën te ontwikkelen.

  • Er kunnen voorwaarden worden gesteld aan welke natuurlijke hulpbronnen gebruikt mogen worden en hoeveel in het werken aan duurzame mobiliteit, waarbij b.v. de meest uitputtende activiteiten aan banden worden gelegd of anders georganiseerd moeten worden.

  • Toezicht en handhaving op kaders gebeurt niet naar behoren, waardoor reductie in uitstoot van broeikasgassen niet gemonitord en gerealiseerd wordt.

  • Er kan geen maatwerk geleverd worden in het realiseren van benodigde infrastructuur doordat de kaders van het Rijk dit niet toelaten.

  • Rijkskaders zijn te smal om initiatieven op lokaal niveau verder te ontwikkelen.

  • Rijkskaders zijn te breed om initiatieven gericht en effectief te ontwikkelen.

  • De Rijkskaders sluiten niet aan op de bestaande kaders op regionaal en lokaal niveau wat betreft de fysieke leefomgeving en transport, waardoor infrastructuur niet op een legitieme manier tot stand kan komen.

  • De kaders bieden markt en regionale overheden te veel vrijheid, waardoor het werken aan duurzame mobiliteit te vrijblijvend is en de transitie stagneert.

  • Het stellen van te smalle kaders kan remmend werken op het ontwikkelen van kennis en innovatie.

5. Voedsel en Natuur

  

A. Het Rijk zet in op maximale reductie van emissies uit veenweidebodems.

  • Groter waterbergend vermogen in landelijke gebieden wanneer veenweidegebieden onder water worden gezet/niet gebruikt worden voor een andere functie dan natuur.

  • Lagere uitstoot van broeikasgassen.

  • Minder energie nodig om water (weg) te pompen.

  • Biotopen in natte natuur kunnen zich verder ontwikkelen.

  • Het verbinden van veenweidegebieden met andere veenweidegebieden/ natte natuurgebieden zorgt voor een groter en stabieler ecosysteem

  • Meer natte natuur, kans voor natuurontwikkeling.

  • Veenweidegebieden functioneren als waterbergend gebied.

  • Veenweidegebieden functioneren als bufferzone voor droge periodes.

  • Grotere hoeveelheid waterlichamen in veenweidegebieden hebben verkoelend effect op omgeving wat hittestress kan voorkomen, wanneer gelegen in de buurt van bewoond gebied.

  • Leefkwaliteit neemt toe door meer mogelijkheden voor recreatie, aantrekkelijkere woningbouwlocaties, grotere natuurwaarden.

  • Woonomgeving wordt aantrekkelijker door hogere recreatie- en natuurwaarden.

  • Gebieden worden geschikt voor woningbouw aangepast op bodems met hoge waterstand of wonen op water.

  • Minder bodemdalingsschade.

  • Groter waterbergend vermogen in landelijke gebieden, wat wateroverlast kan voorkomen.

  • Nieuwe functie van veenweidegebieden kunnen baten opleveren zoals woningbouw of recreatie.

  • Minder productieverlies door verzilting.

  • Ontwikkeling van natte landbouw.

  • Ontwikkeling van kennis en innovaties in natte teelten.

  • Minder energie nodig voor het (weg)pompen van water.

  • Grotere uitspoeling van nutriënten in oppervlaktewater.

  • Grotere kans op wateroverlast in bewoond gebied wanneer hogere waterstand niet samen gaat met een groter afvoerend en bergend vermogen van het watersysteem.

  • Concurrentie tussen natte natuur en natte landbouw en woningbouw.

  • Landschapsfuncties zoals landbouw, droge natuur en woningbouw gaan concurreren met niet-veenweidegebieden, waar deze voorheen op veenweidegebieden waren geplaatst.

  • Sneller optreden wateroverlast in bewoonde gebieden bij hogere waterstand, wanneer er geen grotere waterberging en afvoer wordt gerealiseerd.

  • Economische schade bij grondeigenaren.

  • Hogere kosten voor bouwen op water/ bodems met hogere bodemstand.

  • Noodzakelijke (ongewenste) verschuiving van droge naar natte landbouw.

  • Minder landbouwgrond beschikbaar om droge teelt op toe te passen.

B. Het Rijk zet in op het realiseren van meer bomen voor het vastleggen van CO2.

  • Meer groen in bewoond gebied kan hittestress verminderen door een verkoelend effect en meer schaduw.

  • Nutriënten kunnen beter vastgehouden worden waardoor uitspoeling minder wordt.

  • Minder kans op wegspoelen grond in heuvelachtig terrein door vasthouden grond door bomen.

  • Hogere vastlegging van CO2 in bomen.

  • Biotopen en ecosystemen kunnen groeien en met elkaar verbonden worden.

  • Ontwikkeling van bossen, uitbreiding en verbinding van natuurgebieden.

  • Openbare ruimte kan groener, mooier, aantrekkelijker ingericht worden.

  • Minder kans op hittestress in stedelijke gebieden door verkoelend effect bomen en meer schaduw.

  • Meer mogelijkheden voor recreatie in en rond bossen en bomen.

  • Toename in werkgelegenheid voor aanplant bomen en onderhoud.

  • Woonomgeving kan groener ingericht worden en aantrekkelijker worden gemaakt.

  • Rijk financiert bomenaanplant dus omgevingswaarde neemt toe zonder extra investering van burgers en decentrale overheden.

  • Aanplant bomen en onderhoud levert werkgelegenheid op.

  • Aanplant bomen kan gecombineerd worden met duurzame houtproductie.

  • Vergroot aanbod duurzaam bouwmateriaal (hout).

  • Groter aanbod van duurzame bouwmaterialen kan vraag naar metalen en beton verminderen.

  • Nutriënten kunnen beter vastgehouden worden waardoor uitspoeling minder wordt.

  • Bomenkweek behoeft veel nutriënten en grond, uitputting van de grond is een risico.

  • Grotere gebieden die kwetsbaar zijn voor bosbranden bij lange periodes van droogte.

  • Meer aanplant van bomen kan bestaande systemen verstoren in niet-bosrijke natuurgebieden.

  • Bij keuze voor aanplant uitheemse bomen omwille van groeisnelheid kan concurrentie ontstaan tussen inheemse en uitheemse bomen.

  • Boomaanplant kan open natuurgebieden verdringen zoals heide, natte gronden, veenweidegebieden.

  • Karakteristieke landschappen kunnen hun waarde verliezen door aanplant bomen.

  • Op korte termijn zullen bomen nog niet volgroeid zijn wat een onaantrekkelijke openbare ruimte of landschap op kan leveren de eerste decennia.

  • Bomenaanplant kan ten koste gaan van bestemmingen waar woningen gerealiseerd kunnen worden.

  • Bomenaanplant gaat ten koste van andere functies, zoals landbouw, open natuurgebieden, woningbouw, bedrijventerreinen.

  • Meer bos/bomen om te onderhouden, meer middelen nodig en capaciteit nodig om te onderhouden.

6. Klimaatadaptatie

  

A. Het rijk maakt van klimaatadaptatie een ordenend principe in de ruimtelijke inrichting, b.v. door laaggelegen polders en veenweidegebieden aan te wijzen waar niet zomaar mag worden gebouwd of door het formuleren van inrichtingsprincipes voor stad en land.

  • Gereduceerde kans wateroverlast in bewoond gebied en daarmee samenhangend risico op schimmels in woningen.

  • De kans op slachtoffers door klimaateffecten wordt kleiner doordat de omgeving zo wordt ingericht dat de gevolgen van klimaatverandering zo min mogelijk effect hebben op de veiligheid van burgers.

  • Minder energie nodig om waterpeilen op gewenste niveau te houden wanneer waterstand hoger mag zijn dan voorheen.

  • Laaggelegen, watergebonden natuurgebieden krijgen meer ruimte om te ontwikkelen zoals veenweidegebieden en moerassen.

  • Ruimte om natuurgebieden te behouden en mogelijk (verder) te ontwikkelen.

  • De fysieke leefomgeving volgens een ordenend principe inrichten, biedt kansen om met andere opgaves, zoals de Natura 2000-opgave, mee te koppelen.

  • Cultuurhistorische aspecten in het landschap kunnen behouden blijven.

  • De burger is minder kwetsbaar voor hittestress en is beter voorbereid op wateroverlast, droogte en overstromingen.

  • Woningen worden minder kwetsbaar voor wateroverlast en overstromingen, wat schade voorkomt en een stabiele woonomgeving mogelijk maakt.

  • Initiatieven worden op een plek ontwikkeld die niet of minder kwetsbaar is voor de gevolgen van klimaatverandering.

  • Het voorkomen van hittestress kan een positieve invloed hebben op de arbeidsproductiviteit.

  • Schade aan gebouwen en infrastructuur als gevolg van klimaatverandering wordt voorkomen of verminderd.

  • Concentratie van economische activiteiten in een beperkte ruimte kan zorgen voor een lokaal hogere uitstoot van fijnstof en broeikasgassen, wat de luchtkwaliteit kan schaden.

  • In hoge delen zoals Betuwe is risico op snelle en gevaarlijke overstroming.

  • Grotere concurrentie met landbouw in kwetsbare vruchtbare gebieden wanneer andere activiteiten zich concentreren op minder kwetsbare gebieden.

  • Natuurgebieden moeten concurreren met economische en sociale activiteiten wegens ruimtegebrek.

  • De druk op de openbare ruimte wordt te groot, er moeten te veel activiteiten op een te kleine ruimte plaats vinden.

  • De hogere concentratie van activiteiten op een beperkte ruimte kan het welzijn van de burger verslechteren; door meer omgevingsgeluid, licht, warmte, etc.

  • Woonruimte wordt geconcentreerd op minder kwetsbare plekken die niet vanzelfsprekend aantrekkelijker zijn om te wonen; misschien verder weg van waterlichamen, groenvoorzieningen en natuurgebieden.

  • Mogelijk zal er meer in de hoogte of diepte gebouwd moeten worden om aan de woonvraag te voldoen.

  • Woonruimte zal door de beperkte ruimte duurder gaan worden.

  • De woonomgeving kan minder aantrekkelijk worden om in te recreëren, wonen en werken.

  • Concurrentie in het ontwikkelen van initiatieven in de openbare ruimte wordt groter door het beperken van de beschikbare ruimte voor deze initiatieven.

  • Concurrentie natuur-landbouw kan groter worden wanneer natuur de vrijheid krijgt in gebieden die kwetsbaar zijn voor overstromingen en droogte.

B. Het rijk zet in op het vergroten van de weerbaarheid van de maatschappij door een dialoog te starten over zijn eigen taak en verantwoordelijkheid en de taak en verantwoordelijkheid die burgers en bedrijven hierin hebben.

  • Burgers ondernemen actie om binnen hun invloedssfeer het landschap en de openbare ruimte klimaatadaptief in te richten.

  • Burgers zijn zich bewust welke gevolgen klimaatverandering voor hun welzijn kan hebben en passen daar hun leefstijl op aan.

  • Burgers maken bij het kiezen van een nieuwe woonlocatie klimaatadaptieve afwegingen over de locatie van het huis zelf, de inrichting van de wijk en het type huis.

  • Burgers zijn op de hoogte hoe ze hun woning en woonomgeving weerbaar kunnen maken tegen de gevolgen van klimaatverandering.

  • Op lokaal niveau kunnen initiatieven ontwikkeld worden om bijvoorbeeld meer groen in de straat te brengen; hier kan de lokale economie van profiteren.

  • De vraag naar klimaatbestendige woningen, tuinen en percelen neemt toe.

  • De vele burgerinitiatieven zorgen voor een te grote bureaucratische last voor regionale overheden om de initiatieven te toetsen en eigen beleid te realiseren waardoor de openbare ruimte niet visiegericht wordt ingericht.

C. Het rijk stimuleert een integrale gebiedsgerichte benadering van de leefomgeving waarin meekoppelkansen tussen klimaatadaptatie en andere ruimtelijke opgaven – zoals de energie-transitie – optimaal worden benut.

  • Verbetering van de leefkwaliteit.

  • Beter doordachte ontwikkeling van een gebied waardoor het minder kwetsbaar is voor de gevolgen van klimaatverandering.

  • Reductie van broeikasgassen door duurzame opwekking van energie.

  • Reductie van veenoxidatie door het meenemen van tegengaan grondwaterdaling in gebiedsbenadering.

  • Reductie van uitstoot methaan door in integrale gebiedsbenadering alternatieven te bieden voor veeteeltsector.

  • Ruimte voor ontwikkeling en verbinden van natuurgebieden in de gebiedsgerichte benadering.

  • Natuur kan toegankelijker en aantrekkelijker worden gemaakt voor het publiek waardoor er meer draagvlak wordt gecreëerd voor het behouden en ontwikkelen van natuur.

  • De inrichting van het landschap en de openbare ruimte sluit beter aan bij de belangen in het gebied.

  • Er kan draagvlak gecreëerd worden om bijvoorbeeld energie-infrastructuur goed in te passen in de openbare ruimte.

  • Op lange termijn minder werkzaamheden en een woonomgeving die langer meegaat

  • De groeiende vraag naar woonruimte kan meegenomen in de integrale gebiedsbenadering met als resultaat slim ingepaste woningcapaciteit op aantrekkelijke locaties.

  • Aantrekkelijke woonlocaties kunnen gecreëerd worden door de karakteristieken van een gebied maximaal te benutten.

  • Een gebied kan ‘goed’ worden ingericht, zodat er een solide, duurzame ruimtelijk-economische structuur wordt neergezet.

  • Het pakken van meekoppelkansen kan ervoor zorgen dat er winst wordt geboekt op tijd, geld en draagvlak in de omgeving.

  • Uit meekoppelkansen kunnen innovaties voortvloeien.

  • Aantrekkelijk vestigingsklimaat voor het verbinden van belangen en sectoren aan elkaar.

  • Infrastructuur die goed is afgestemd op de behoeften uit de regio.

  • Meer duurzame energie opwekken met gebiedseigen grondstoffen.

  • Natuurbelangen kunnen afgestreept worden tegen andere, zwaarwegende belangen waardoor het natuurbelang minder geborgd wordt dan in een voorheen sectorale benadering waarin duidelijke normen werden gehanteerd voor natuurbescherming.

  • Trage besluitvorming rondom de inrichting door vele belangen en het integraal willen afwegen van verschillende thema’s.

  • Een openbare ruimte die uiteindelijk niemand aanspreekt doordat er te veel concessies zijn gedaan in de integrale gebiedsbenadering om te voldoen aan de verschillende wensen van stakeholders.

  • Op korte termijn vaak meer ingrijpende werkzaamheden in de leefomgeving om te komen tot een integraal afgewogen inrichting van een gebied.

  • De planvorming- en realisatiekosten van een integrale gebiedsbenadering zijn hoger, waarbij het onduidelijk is wie welke kosten gaat dragen.

  • Botsende visies tussen overheden, burgers, bedrijven, sectoren kunnen de integrale gebiedsbenadering vertragen/moeilijk maken.

  • Planvorming en besluitvorming kan stroperig verlopen door de vele belangen.

  • Sectorale kennis wordt minder op waarde geschat en verdwijnt.

7. Inzet van rijksgronden en rijksvastgoed als vliegwiel

  

Het Rijk zet eigen gronden en vastgoed in als vliegwiel voor energiebesparing, duurzame energieopwekking en klimaatadaptatie voor landelijke en regionale doelen.

Het Rijk kan eigen rijksgronden, rijksvastgoed en rijksvoertuigen inzetten om een bijdrage te leveren aan de energietransitie en adaptatieopgave

  • Minder fossiele verbranding, minder uitstoot fijnstof e.d.

  • Minder overstromingen.

  • Vitale functies blijven bij extreem weer in stand bij een klimaatadaptieve inrichting.

  • Minder C02-uitstoot.

  • Minder wateroverlast.

  • Piekbuien opgevangen.

  • Wind op zee leidt, na aanleg, tot een aantrekkelijk biotoop voor zeezoogdieren.

  • Concentratie van energie en mobiele infrastructuur: sparen natuur.

  • Creëren nieuwe natte natuur, en kans voor watervogels, past bij Nederland.

  • Concentratie van energie en mobiele infrastructuur: sparen overige ruimte.

  • Creëren van nieuw cultureel erfgoed/ landmarks.

  • Gebiedsgericht creëren van maatschappelijke meerwaarde.

  • Grote verandering in leefomgeving en benadrukken urgentie zorgt voor onrust, mede omdat gevolgen opwarming manifester zullen worden.

  • Tijdelijk veel menskracht nodig in de klimaatbestendige aanleg van vitale functies en in de energie-opgave.

  • Iets mindere urgentie voor aanpak bestaande gebouwen.

  • Kosten voor rekening staat, niet voor huishoudens

  • Creëert veel werkgelegenheid in bouw, infrastructuur en installatie sector.

  • Idem middelbaar en hoger onderwijs.

  • Kennis klimaatadaptie als exportproduct.

  • Biedt vanwege de schaalgrootte kansen voor circulariteit.

  • Impuls voor circulair maken economie in sector bouw en infrastructuur.

  • Energiebronnen zijn hernieuwbaar en drukken dus minder op hulpbronnen dan kool/gas.

  • Indien het rijk de vliegwielfunctie vervult, kan dit stimulerend werken voor andere overheden, bedrijven en bewoners om ook te investeren.

  • Inzet voor adaptatie doeleinden kan- mits ingezet voor versterking de waarde van het landschap- juist een positieve bijdrage leveren.

  • Zichtbare inzet van rijksvastgoed voor adaptatie kan een belangrijke voorbeeldfunctie vervullen voor bewoners en bedrijven.

  • Het inzetten voor adaptatiedoeleinden kan –mits goed ingepast- juist een positieve bijdrage geven op de leefomgeving langs de corridors.

  • Geluidhinder windmolens.

  • Cumulatieve effecten fauna (wind en bij grote oppervlakten zonnepanelen ook bij zon).

  • Windturbines op/bij infrastructuur en zeevaartroutes veiligheidsrisico.

  • Concentratie wind langs water/zeewegen: vogels.

  • Bij aanleg: verstoring bodem en ondergrond + onderwatergeluid.

  • Gebruik oppervlaktewater voor energie: druk op biodiversiteit in water?

  • De ruimtedruk van klimaatadaptatie van vitale functies is nog niet helemaal duidelijk.

  • Verandering van landschap, aantal open gebieden neemt af.

  • Het aandeel onverstoorde gebieden kan bij een onzorgvuldige aanpak groot worden.

  • Als gekozen wordt voor een programmatische uitrol, is weinig inbreng voor participatie en samenhang.

  • Aandacht voor inclusiviteit is nodig bij het zoeken naar voldoende werkkracht voor deze opgave.

  • Extra belasting woonomgeving langs infrastructuur, versterkt door keuze voor verstedelijking.

  • Huishoudens minder betrokken bij snelle verduurzaming.

  • Energienetwerk heeft aandacht nodig bij minder goed te sturen piekbelastingen (zon en wind), dit kan aanlegkosten of innovatie met zich meebrengen.

  • Oververhitting/belasting van de markt.

  • Mogelijk immigratiegolf van benodigde arbeidskrachten (verdere belasting krappe woningmarkt).

  • Niet tijdig beschikbaar goed opgeleide mensen.

  • Op oude manier bouwen geeft CO2 belasting en grootgebruik van hulpbronnen (zeker voor PV).

  • Landgebruik kan groot zijn als niet wordt ingezet op energiebesparing en/of een groter palet aan energie-opwekmogelijkheden.

  • De sociale impact van grootschalige infrastructuur op bewoners kan negatief zijn: geen gevoel ven eigenaarschap, beperkte mogelijkheid tot participatie.

  • Bij het benutten van inzet van vrijvallend areaal wordt energie-infrastructuur overwogen en ingevoegd op plaatsen die eerst een andere bestemming hadden (defensie, natuur, huisvesting). Vanuit ruimtelijke ordening kan dit minder passend zijn (versnippering, verrommeling).

  • In ‘de wijk’ zullen de effecten van deze beleidsoptie minder zichtbaar zijn. Woningen langs bestaande infrastructuur – die al hinder ervaren- worden zwaarder belast. Hiermee wordt de ongelijkheid groter en dit leidt mogelijk tot verdergaande ruimtelijke segregatie.

  • De corridors langs vaar- en rijkswegen kunnen b.v. ook worden ingezet voor opwek van windenergie en warmte-infrastructuur. Concentratie hiervan langs bestaande infrastructuur kan voorkomen dat hiervoor nieuwe schaarse ruimte wordt gebruikt. Concentratie kan wel leiden tot cumulatieve effecten voor hinder (geluid) en externe veiligheid en flora en fauna.

8. Kraam- en versnellingskamers klimaat

  

Het rijk wijst regio’s aan als kraam/versnellingskamers voor klimaatmitigatie.

Deze beleidsoptie zoekt naar een manier om de wisselwerking tussen de aanpak op nationaal en regionaal niveau beter op elkaar af te stemmen, waarbij op basis van gelijkwaardigheid afrekenbare afspraken worden gemaakt die leerervaring biedt om een dergelijke aanpak landelijk in te voeren. Er wordt daarbij vanuit gegaan dat het op regionaal niveau beter mogelijk is tot een integrale aanpak te komen die de energietransitie koppelt aan andere aspecten van kwaliteit van de leefomgeving dan dat dit landelijk het geval zou zijn. Voorstel bij deze optie is met drie pilotregio’s op voet van gelijkwaardigheid tussen Rijk en regio’s akkoorden te sluiten over het daadwerkelijk realiseren van de ambities. Het nieuwe is dus niet dat regio’s wat doen, maar dat daar op voet van gelijkwaardigheid een akkoord over wordt gesloten.

Het Rijk zal uiteindelijk willen dat regionale ambities tot het Rijksdoel optellen. Ook zal het Rijk bepaalde wensen hebben, b.v. waar de schaarse duurzame biomassa ingezet wordt. Het is daarbij aan de regio om andere doelen mee te nemen (werkgelegenheid, verbeteren kwaliteit leefomgeving, etc.).

  • In welke mate hierbij van een afspraak over de feitelijke reductie sprake is (resultaatsverplichting), of over te nemen maatregelen (inspanningsverplichting). Waarschijnlijk zal het een mengvorm zijn met per sector een ander accent. Bij de gebouwde omgeving kan er van een afspraak over reducties sprake zijn, bij het transport is dat waarschijnlijk niet mogelijk.

  • Ruimte die het Rijk biedt om eigen beleid te voeren (experimenteerruimte/mogelijkheden tot afwijking generiek beleid).

  • De beleidsoptie kraam-/versnellingskamers kan verbonden worden met governance-voorstellen uit de andere hoofdopgaven.

  • Het zal heel lastig zijn de beste vorm te vinden voor de regionale partij en daarom kan het beste geëxperimenteerd worden met verschillende vormen. Ook is het niet eenvoudig precies af te bakenen waar er een resultaatsverplichting of inspanningsverplichting over zal gaan, dus dat kan ook beter uitgeprobeerd worden.

  • Ook een nieuw Energieakkoord zal hier een rol in kunnen spelen, nog onbekend welke rol.

  • Het effect zal afhangen van de precieze afspraken.