Werkgelegenheid

werkgelegenheid

Definitie: Verandering in het aantal banen in sectoren.

Huidige staat

3

De huidige staat ten aanzien van het aantal banen in sectoren is over het algemeen redelijk te noemen, waarbij er in sommige regio’s en in sommige sectoren wel knelpunten voordoen. De Nederlandse economie heeft zich de afgelopen decennia ontwikkeld tot een diensteneconomie. Er is een duidelijk groei in de sectoren ‘Informatie en communicatie’ (+16,5%) en ‘Zakelijke dienstverlening’ (+20,9%). Over het algemeen groeit de werkgelegenheid in Nederland in 2018 en 2019 gestaag door en daalt de werkloosheid. Er zijn verschillen in werkgelegenheid tussen landelijk en stedelijk gebied.

Referentiesituatie

3

Richting 2030 blijft de staat ten aanzien van het aantal banen in sectoren over het algemeen redelijk te noemen. De werkgelegenheid groeit, vooral in de commerciële dienstensector, afhankelijk van de onzekere technologische ontwikkelingen. Automatisering vormt een risico voor de banen van laagopgeleiden, maar kan daarnaast ook tot nieuwe banen leiden. Voor de langere termijn is het onzeker of Nederland haar internationale concurrentiepositie behoudt, wat de regionale differentiatie kan versterken.

Definitie

Werkgelegenheid is uitgedrukt in het aantal banen in sectoren.

Huidige ambitie

Het Nederlandse economische beleid is gericht op het behouden van een goede werkgelegenheid en deze in alle regio’s te verbeteren. Het topsectoren beleid zet in op de ontwikkeling van specifieke sectoren, gericht op een goede internationale concurrentiepositie voor deze sectoren. De ruimtelijk-economische invulling van beleid gebeurt door de decentrale overheden en is regionaal verschillend. Een algemene kwantificering voor het ambitieniveau van deze indicator is niet beschikbaar.

Huidige staat

Economische groei is één van de belangrijkste drijvende krachten achter ontwikkelingen in de fysieke leefomgeving. Meer productie en hogere inkomens leiden in de regel tot meer energieverbruik, meer mobiliteit en een groter beslag op land. De Nederlandse economie heeft zich de afgelopen decennia ontwikkeld tot een diensteneconomie. In 2013 werd bijna driekwart van de bruto toegevoegde waarde en bijna 80% van de werkgelegenheid in de dienstensector gerealiseerd. In 2018 is te zien dat bepaalde sectoren een groei en een afname mee maken in de laatste twee decennia. Er is een duidelijk groei in de sectoren ‘Informatie en communicatie’ (+16,5%) en ‘Zakelijke dienstverlening’ (+20,9%), waar een afname merkbaar is in de sectoren ‘Landbouw, bosbouw en visserij’ (-5%), ’Bouwnijverheid’ (-9%) en ‘Financiële dienstverlening’ (-20%) (CBS, 2018b) (zie figuur 4.5)

Figuur 4.5 | Aantal banen (x 1000) per sector in 2010 en 2018. Bron: CBS, 2018b

De groei van de participatiegraad (aantal werkenden per hoofd van de bevolking) en de groei van de bevolking bepalen samen de groei van de beroepsbevolking. Hierbij is de participatiegraad bij hoogopgeleiden goed (80%), gaat de participatiegraad bij middelbaar opgeleiden achteruit en bij laagopgeleiden is de participatiegraad met 50% onvoldoende. Bij de laagopgeleiden doen er zich met name knelpunten voor bij ‘migrantenbanen’.

Over het algemeen groeit de werkgelegenheid in Nederland in 2018 en 2019 gestaagt door en de werkloosheid daalt. In het tweede kwartaal van 2018 is het aantal banen van werknemers en zelfstandigen met 52 duizend toegenomen. Dit is het zevende kwartaal op rij dat het aantal banen met meer dan 50 duizend toeneemt. Wel is de stijging nu wat minder groot dan in de voorgaande kwartalen. De afgelopen vier jaar is het aantal banen vrijwel onafgebroken toegenomen, in totaal met 676 duizend (7%) (CBS, 2018c). Echter, er is sprake van regionale differentiatie. Er zijn verschillen in werkgelegenheid tussen het stedelijk gebied en het buitengebied. Door de krimp in delen van Nederland en de trek naar de steden wordt de regionale differentiatie versterkt.

Referentiesituatie

In de scenario’s Hoog van de WLO 2030 en 2050 vindt de economische groei sterk plaats in de commerciële dienstensector. Verondersteld is dat in beide scenario’s de verdienstelijking van de economie in de komende jaren doorzet: in het scenario Laag is de overheids- en zorgsector de belangrijkste groeier. Er hangt wel een bepaalde onzekerheid aan deze scenario’s. Hoe de technologie zich de komende decennia gaat ontwikkelen is onduidelijk. Dit komt mede door de gevoelige conjunctuur. Een hoogconjunctuur stimuleert innovaties, waar bij een laagconjunctuur economische en technologische ontwikkelingen juist afnemen. Technologische ontwikkeling, zoals robotisering, heeft naar verwachting effect op de laagopgeleide beroepsbevolking. De laag van de bevolking staat al onder druk door de automatisering van processen. Daartegenover staat dat robotisering ook nieuwe banen schept, welke laag van de beroepsbevolking daarvan vooral van zal profiteren, is nog onzeker.

Vanuit experts is ingebracht dat het onzeker is of de internationale concurrentiepositie van Nederland behouden kan blijven. Mondialisering en internationale specialisatie verhevigen de concurrentie, doen personen- handels- en datastromen groeien en maken groei in Nederland minder vanzelfsprekend en niet gelijk verdeeld tussen mensen, regio’s en economische sectoren. Hierdoor zal de regionale differentiatie doorzetten. Hierdoor blijven de problemen in het buitengebied bestaan. Het beeld tussen steden zal wisselend zijn, afhankelijk of de stad zich al dan niet in een krimpregio bevindt. Een stad in een krimpregio zal verschil vertonen qua werkgelegenheid, bereikbaarheid en demografie met steden in de Randstad. Alleen zolang de beroepsbevolking blijft toenemen, zal het per saldo stabiel blijven gaan met de werkgelegenheid. De verwachting is dat hier rond 2030 een omslag in zal plaatsvinden als gevolg van vergrijzing. De beroepsbevolking neemt dan af en de participatiegraad neemt hierdoor dan na 2030 mogelijk af (Ministerie IenW, 2018).