Minerale & fossiele hulpbronnen

Minerale & fossiele hulpbronnen

Definitie: Verandering in volume en kwaliteit van voorraad minerale en fossiele hulpbronnen.

Huidige staat

3

De huidige staat ten aanzien van het beschikbare volume en de kwaliteit van de voorraad minerale en fossiele hulpbronnen wordt als redelijk gewaardeerd. Er zijn nog voldoende voorraden, maar deze staat onder toenemende druk (zoals Nederlands aardgas).

Referentiesituatie

2

Richting 2030 leidt de groei van de bevolking, welvaart en technologische ontwikkeling tot een toenemende vraag naar minerale en fossiele hulpbronnen, terwijl de voorraden steeds meer uitgeput raken. Deze negatieve trend leidt in de referentiesituatie tot een matige staat ten aanzien van minerale en fossiele hulpbronnen.

Definitie

Met deze indicator wordt inzichtelijk gemaakt of er sprake is van verandering van het volume en de kwaliteit van de voorraad van de minerale en fossiele brandstoffen (zoals bijvoorbeeld aardolie, aardgas en steenkool).

Huidige ambities

Aan de voorraad van minerale en fossiele hulpbronnen zit een plafond, maar daarnaast is de (inter)nationale economie afhankelijk van deze hulpbronnen. Om die reden zet het Rijk in op de doelstellingen van het Klimaatakkoord van Parijs: in 2030 49% minder CO2-uitstoot en in 2050 een geheel circulaire economie (Rijksoverheid, 2018c). Voordat de doelstelling bereikt is, moet er een omslag komen van fossiele naar duurzame hulpbronnen. Tijdens die omslag zijn minerale en fossiele hulpbronnen nog van belang.

Huidige staat

De groei van wereldbevolking, welvaart en technologische ontwikkeling leidt tot een groeiende vraag naar voorraden en diensten die de natuur ons kan leveren (ecosysteemdiensten). Die voorraden dreigen te worden uitgeput. De druk van winning, gebruik en afdanking van grondstoffen op klimaat, milieu en natuurlijk kapitaal neemt toe. Bovendien leidt de ongelijke verdeling van voorraden in de wereld tot groeiende afhankelijkheden en geopolitieke spanningen. Behoud van de welvaart in combinatie met het besef dat veel voorraden eindig zijn, vraagt om het verminderen van de vraag naar grondstoffen en het gebruik van ecosysteemdiensten tot het niveau waarmee we binnen de draagkracht van het natuurlijk systeem blijven (Ministerie IenW, 2018).

Het primaire energiegebruik is het totaal aan energie dat wordt ingezet om het energiesysteem te voeden. Het bestaat naast het finale energiegebruik uit het niet-energetische gebruik van energiebronnen voor bijvoorbeeld de productie van plastics en kunstmest en de omzettingsverliezen van de energieproductie. Om in deze energievraag te voorzien wordt gebruik gemaakt van verschillende energiebronnen. Aardolie, aardgas en steenkool zijn voor Nederland de belangrijkste primaire energiebronnen (zie figuur 3.4). Deze fossiele brandstoffen leveren een belangrijk deel van de energie voor onze maatschappij. De productie van elektriciteit in de enige Nederlandse kerncentrale (Borssele) draagt voor een klein deel bij aan de totale Nederlandse elektriciteitsproductie. Een steeds belangrijkere vorm van energie is hernieuwbare energie. In de huidige staat is het aandeel hernieuwbare energie echter nog klein. Ook in vergelijking met de EU-lidstaten is het aandeel hernieuwbare energie van Nederland klein.

Figuur 4.4 | Olie- en gasvelden [Atlas van de leefomgeving]

Nederland, in vergelijking met de andere EU-lidstaten, nog relatief veel werk verzetten om het nationale doel omtrent het aandeel hernieuwbare energie in 2020 te behalen[1].

Het totale primaire energieverbruik was 3040 petajoule in 2017. In figuur 3.5 is het primaire energieverbruik van 2017 opgedeeld per energiebron. Het aanbod aan aardgas wordt in Nederland zelf gewonnen, zelfs zoveel dat er een deel wordt uitgevoerd. Olie wordt voor een klein deel gewonnen in Nederland. Het overgrote deel wordt ingevoerd vanuit andere landen. Steenkool wordt volledig ingevoerd vanuit andere landen[2].

Referentiesituatie

De groei van wereldbevolking, welvaart en technologische ontwikkeling leidt tot een groeiende vraag naar voorraden minerale en fossiele hulpbronnen. Het is de verwachting dat die voorraden dreigen te worden uitgeput. Hierdoor is verandering noodzakelijk. In het primaire energieverbruik zal de komende jaren een aantal ontwikkelingen te zien zijn. Het aandeel van duurzame energie zal de komende decennia gaan toenemen. Een andere ontwikkeling is te zien in het aardgasverbruik. Het aardgasverbruik neemt de komende periode verder af door de voortgaande vermindering van het finaal verbruik voor warmte, en de voortgaande vermindering van de inzet van aardgas bij de (vooral decentrale) elektriciteitsproductie via warmtekrachtkoppeling. De energiedragers olie en nucleaire energie zullen de komende decennia, naar verwachting, nagenoeg gelijk blijven. Het verbruik in steenkool zal afnemen van 415 petajoule in 2017 naar 334 petajoule in 2030. Het totale finale energieverbruik zal dalen van 3040 petajoule in 2017 tot 2829 petajoule in 2030. De WLO-scenario’s laten zien dat het primaire energieverbruik naar verwachting 2859 petajoule (laag scenario) tot 3204 petajoule (hoog scenario) zal zijn in 2050[3]. Deze cijfers zijn overgenomen uit het NEV en het WLO, waarbij er nog geen rekening is gehouden met mogelijk maatregelen uit het klimaatakkoord en Urgenda.

  • 1 Eurostat (2019, 12 februari). Share of renewable energy in the EU up to 17.5% in 2017. Geraadpleegd van https://ec.europa.eu/eurostat/documents/2995521/9571695/8-12022019-AP-EN.pdf/b7d237c1-ccea-4adc-a0ba-45e13602b428.
  • 2 Energie in Nederland. (2018) Energie in Nederland 2018. Geraadpleegd van https://www.ebn.nl/wp-content/uploads/2018/01/EBN-Infographic-2018-pdf.pdf.
  • 3 Toekomstverkenning welvaart en leefomgeving 2015, Planbureau voor de Leefomgeving/Centraal Planbureau.