Energienetwerk

Energienetwerk

Definitie: Verandering in de mate waarin vraag en aanbod voor energie zijn verbonden door de aanwezigheid van energie infrastructuur.

Ambitie:

Huidige staat

4

Het energieaanbod in Nederland wordt bepaald door zowel de winning, invoer, uitvoer, bunkers als ook de voorraadmutatie van energiedragers. Nederland is voornamelijk afhankelijk van invoer van energie. Hiervan wordt bijna driekwart weer doorgevoerd naar andere landen. De energievraag in Nederland is in de afgelopen decennia stabiel gebleven. De huidige staat ten aanzien van de verbinding van vraag en aanbod voor energie en de aanwezigheid van energie-infrastructuur is over het algemeen als redelijk gewaardeerd. Verspreid zijn er knelpunten ten aanzien van het energienetwerk.

Referentiesituatie

3

Richting 2030 ontstaan er knelpunten in de verbinding van vraag en aanbod en in het energienetwerk. Zo vormt de inpassing van duurzame energieopwekking (met name elektriciteit van wind op zee en de transitie naar meer lokale energieopwekking) in toenemende mate een aandachtspunt waarvoor keuzes moeten worden gemaakt. Het is de verwachting dat de mate waarin vraag en aanbod voor energie zijn verbonden door de aanwezigheid van energie-infrastructuur autonoom afneemt. De referentiesituatie is daarom als matig gewaardeerd.

Definitie

Bij energienetwerk wordt gekeken naar de verandering in de mate waarin vraag en aanbod voor energie zijn verbonden door de aanwezigheid van energieinfastructuur.

Huidige ambitie

Buiten de algemene ambitie dat een goede energievoorziening overal in Nederland moet worden gegarandeerd, is een algemene kwantificering voor het ambitieniveau van deze indicator met betrekking tot de fysieke leefomgeving is niet beschikbaar. Daarom is voor de waardering van de huidige en referentiesituatie gebruik gemaakt van expert judgement.

Huidige staat

Het energieaanbod in Nederland wordt bepaald door zowel de winning, invoer, uitvoer, bunkers als ook de voorraadmutatie van energiedragers. In het stroomschema (zie Figuur 4.11) wordt de voorraadmutatie verwaarloosd.

Figuur 4.11 | Energiestromen, 2016

In Nederland wordt voornamelijk aardgas gewonnen, namelijk 1 617 PJ van de 2 023 PJ van de in totaal gewonnen energie. De overige winning wordt aangevuld met kleinere hoeveelheden aardolie, hernieuwbare energie en overige energiedragers gewonnen. Nederland is vooral afhankelijk van de invoer van energie, dit betreft energiedragers die in Nederland niet aanwezig zijn, zoals ruwe aardolie en aardolieproducten. Op kleinere schaal wordt er steenkool, aardgas en elektriciteit ingevoerd. In 2016 werd in totaal 11 275 PJ ingevoerd. Naast de winning en de invoer wordt energie ook uitgevoerd, 9 559 PJ in 2016. Nederland voert vooral aardolie(producten), steenkool en aardgas uit. Nederland wint zelf geen aardolie, maar is een belangrijke doorvoer voor dit product. Daarnaast wordt ook meer dan de helft van het gewonnen en ingevoerde aardgas (2 983 PJ) naar het buitenland uitgevoerd (1 748 PJ).

Naast het aanbod van energie bestaat ook de vraag naar energie. Nederland blijkt een doorvoerland te zijn. Veel van de ingevoerde en gewonnen energie wordt uitgevoerd naar het buitenland, 9 559 PJ van de 13 298 PJ. Het resterende deel, 3 155 PJ, wordt verbruikt in Nederland zelf. Het grootste deel van de energie is het verbruik van aardolie(producten) en aardgas, respectievelijk 1 227 PJ en 1 252 PJ. Kool(producten), hernieuwbare energie en overige energiedragers vullen het overige verbruik aan.

Figuur 4.12 | Verbruik in PJ per energiedrager, 2016

Het verbruik van energie is in de afgelopen decennia gelijk gebleven. In sommige jaren is er een uitschieter, maar algemeen genomen is het stabiel gebleven. Bij huishoudens ligt dit net boven de 400 PJ, waarbij aardgas met stip bovenaan staat. Het verbruik in aardgas schommelt in de afgelopen decennia, waar het verbruik in elektriciteit toeneemt. De overige energiedragers blijven stabiel in het verbruik (zie figuur 4.13).

Figuur 4.13 | Energieverbruik door huishoudens in Nederland, 1990-2016. Bron: CLO, 2018c

In de economische sectoren is het energieverbruik de afgelopen jaren op hetzelfde niveau gebleven. De sector de industrie blijft overduidelijk de grootverbruiker van energie. De industrie verbruikt namelijk ongeveer 60% van alle energie (zie figuur 4.14).

Figuur 4.14 | Energieverbruik per sector in Nederland, 2011-2016. Bron: CLO, 2018d

Referentiesituatie

In december 2015 sloten 195 landen het klimaatakkoord van Parijs. Dit zorgt voor een grote energietransitie opgave voor Nederland, waarbij er minder gebruik gemaakt moet gaan worden van fossiele brandstoffen. Als gevolg van internationaal klimaatbeleid en bindende Europese afspraken zal de samenleving zuiniger om gaan springen met energie en het aandeel hernieuwbare energie toenemen. Er zal sprake zijn van een absolute ontkoppeling: terwijl de economie groeit, daalt het energieverbruik en is er een vermindering van de uitstoot van broeikasgassen (RHDHV, 2016). Het EU-doel voor het aandeel hernieuwbare energie in 2020 is 14%. Naar verwachting zal het aandeel duurzame energie groeien tot 12,4% in 2020 en 16,7% in 2023 (ECN, 2017). Hiermee zal het doel van 14% hernieuwbare energie in 2020 nog niet behaald worden. In diverse gebieden zijn b.v. warmtenetten in studie of planning zijn. Onderdeel hiervan is de warmterotonde tussen Rotterdam, Den Haag en Leiden. Dit is een project om op regionale schaal warmte uit te wisselen door middel van nieuwe en bestaande warmteleidingen. Daarnaast kan de aanleg van nieuwe riolering gecombineerd worden met vernieuwingen van de ondergrondse infrastructuur en openbare ruimte. Tevens kan nieuwe riolering bijdragen aan de energietransitie (riothermie) en klimaatadaptatie. Dit geeft de verandering weer in aanbod van energie.

De autonome ontwikkeling van de finale energievraag, volgens de WLO-scenario’s is opgenomen in figuur 4.15. In zowel het scenario Hoog als in het scenario Laag is sprake van een verschuiving van fossiele bronnen naar hernieuwbare bronnen. Daarnaast is ook een forse energiebesparing voorzien. Deze leidt per saldo tot een afname van het energieverbruik en compenseert ruimschoots voor de extra vraag naar energie die ontstaat door de economische en demografische ontwikkelingen.

Figuur 4.15 | Autonome ontwikkeling finale energievraag (PBL/CPB)