Biodiversiteit

Biodiversiteit

Definitie: Verandering in de biodiversiteit.

Huidige staat

2

De huidige staat ten aanzien van de biodiversiteit in Nederland is over het algemeen als matig gewaardeerd. Na vele jaren waarin achteruitgang van de biodiversiteit is gemeld - of op zijn gunstigst een afvlakking van de achteruitgang - is er in Nederland de laatste jaren voorzichtige verbetering in de bedreiging van soorten te zien. Echter de metingen uit 2017 laten zien dat het herstel fragiel is want de mate van bedreiging neemt weer iets toe. In de Noordzee en in het agrarisch gebied laat de biodiversiteit nog geen herstel zien.

Referentiesituatie

1

Richting 2030 zet de negatieve trend door voor het aantal bedreigde soorten. Het is de verwachting dat als gevolg van verdere schaalvergroting in de landbouw, verstedelijking, de toename van verkeer en klimaatverandering de negatieve trend verder doorzet. Daarom is de staat van de biodiversiteit in de referentiesituatie over het algemeen als slecht gewaardeerd.

Definitie

Het Nederlandse beleid gebruikt voor biodiversiteit de internationaal geaccepteerde definitie van de Verenigde Naties uit de Conventie voor Biologische Diversiteit (CBD) uit 1992. De CBD omschrijft biodiversiteit als: 'de variabiliteit in organismen uit de gehele wereld, waaronder terrestrische, mariene en andere aquatische ecosystemen en de ecologische verbanden waar ze deel van uitmaken; de diversiteit betreft de variatie binnen soorten (genen), tussen soorten en tussen ecosystemen' (CBD, 2018).

In de planMER van de NOVI worden binnen het onderwerp natuur ook andere indicatoren betrokken zoals areaal natuurgebieden, milieucondities en verbondenheid. Daarom is er voor gekozen om de indicator biodiversiteit te beperken tot de Rode Lijst-soorten en indien nodig aangevuld met gegevens van meer algemene soorten. Op deze manier komen alle thema’s die bij de Balans van de Leefomgeving[1] gebruikt worden om het natuurbeleid te evalueren in de planMER aan de orde. Zie voor een verdere toelichting de beschrijving onder ‘huidige staat’.

Huidige ambities

Op internationaal niveau zijn biodiversiteitsdoelen opgesteld in het kader van de Conventie voor Biologische Diversiteit (CBD, 2018). De CBD onderscheidt drie hoofddoelstellingen:

  • het behoud van de biologische diversiteit;

  • het duurzaam gebruik ervan;

  • en een eerlijke verdeling van de voordelen die het gebruik van genetische bronnen opleveren.

Als partij in de conventie heeft Nederland deze internationale doelen onderschreven. Ook de EU heeft de Conventie voor Biologische Diversiteit ondertekend. In de Europese biodiversiteitstrategie is b.v. als doel opgenomen dat de staat van instandhouding van 50% van de soorten en 100% van de habitattypen in 2020 moet zijn verbeterd ten opzichte van rapportage in 2006 (EU, 2011).

In het Nederlandse natuur- en biodiversiteitsbeleid van de afgelopen decennia stonden de volgende hoofddoelen centraal:

  • het scheppen van duurzame condities voor het voortbestaan van alle in 1982 in Nederland voorkomende soorten en populaties in 2020;

  • het zekerstellen van de biodiversiteit door behoud, herstel, ontwikkeling en duurzaam gebruik van natuur;

  • het tot stilstand brengen van de achteruitgang van de biodiversiteit in 2020 (was eerder 2010).

Afgeleide, meer operationele beleidsdoelen voor het Natuurnetwerk Nederland (NNN), inclusief Natura 2000-gebieden, zijn beschreven in het Subsidiestelsel Natuur en Landschapsbeheer (SNL) en bijbehorende (doel)kaarten. De doelen zijn geformuleerd in termen van te realiseren natuurtypen en beheertypen met lijsten van bijbehorende soorten en kaarten vastgesteld per provincie.

Huidige staat

Om de huidige staat van de biodiversiteit in beeld te brengen en te monitoren heeft het Compendium voor de Leefomgeving (CLO) in lijn met CBD-biodiversiteitsindicatoren vastgesteld. Naast indicatoren die voortvloeien uit de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn en Kaderrichtlijn water wordt voor monitoring van het rijksbeleid gebruik gemaakt van Rode Lijst-Indicator (RLI). De RLI meet (bij een aantal afgesproken soortgroepen) of er soorten uit Nederland dreigen te verdwijnen of terugkomen. Een beperking is dat de RLI gevoelig is voor trends in bedreigde, veelal zeldzame soorten. Sterke veranderingen in de aantallen van algemene soorten komen met de RLI niet in beeld. Naast specifieke beleidsindicatoren zijn daarom ook meer generieke indicatoren vastgesteld waarmee algemene ontwikkelingen in biodiversiteit kunnen worden geduid. Het gaat hierbij om trends van soortgroepen (zoogdieren, vlinders, vogels, e.d.), ecosysteemkwaliteit en natuurareaal.

In de planMER van de NOVI worden binnen het onderwerp natuur ook andere indicatoren betrokken zoals areaal natuurgebieden, milieucondities en verbondenheid. Daarom is er voor gekozen om de indicator biodiversiteit te beperken tot de Rode Lijst-soorten en indien nodig aangevuld met gegevens van meer algemene soorten, zoals de soorten van het agrarische gebied en mariene fauna.

Rode Lijst-soorten

Tussen 1950 en 1995 is het aantal bedreigde soorten sterk toegenomen. Méér dan een derde van alle soorten is in die periode op de Rode Lijst geplaatst. Tot het jaar 2005 liep het aantal bedreigde soorten nog licht op, maar in de tien jaar daarna herstelden populaties van een aantal planten- en diersoorten enigszins en werden de Rode Lijsten iets korter. Ook nam de gemiddelde bedreiging wat af. De stijging in zowel het aantal bedreigde soorten als de mate van bedreiging in 2017 laat zien dat het herstel nog broos en beperkt is. Analyses in komende jaren zullen moeten uitwijzen hoe de trend zich verder ontwikkelt (www.clo.nl).

Figuur 3.6 | Bedreigde en niet-bedreigde soorten van 1995 tot 2017. Bron: CLO, 2018e

Veranderingen in RLI-status zijn niet in elke soortgroep hetzelfde. Vooral hogere planten, libellen en zoogdieren zijn gemiddeld minder bedreigd sinds 1995. De overige soortgroepen laten ten opzichte van 1995 beperkt herstel zien in bedreigde aantallen soorten (broedvogels) en mate van bedreiging (reptielen).

Het dient te worden opgemerkt dat voor waterfauna de ontwikkeling in RLI-status positiever is dan voor landfauna: in tegenstelling tot diersoorten op het land lijkt een afname in bedreiging zich voor diersoorten op en rond het zoete water en in moeras wel voort te zetten de laatste jaren.

Van de bedreigde soorten is na 2005 een aantal soorten ernstiger bedreigd geraakt, maar er zijn meer die vooruitgingen. Van de "kwetsbare" en "gevoelige" soorten zijn er 32 die verbeterden en 31 die verslechterden. Negen soorten die "ernstig bedreigd" of "bedreigd" waren in 2005 zijn in de periode t/m 2017 verder verslechterd, maar 39 soorten met deze classificaties zijn juist verbeterd. Juist de meest bedreigde soorten zijn er dus wat op vooruitgegaan. Daarbij komt dat er na 2005 meer soorten zijn teruggekomen (11) dan dat er zijn verdwenen (5) (CLO, 2018e).

Figuur 3.7 | Rode Lijst Indicator per soortgroep: de RLI-lengte geeft de veranderingen in het aantal soorten op Rode Lijsten geïndexeerd weer, met 1995 als referentiejaar (=100). Als de Rode Lijst langer wordt (dus meer soorten bedreigd) ten opzichte van het referentiejaar, dan komt de waarde boven de 100. Neemt het aantal bedreigde soorten af ten opzichte van 1995, dan daalt de RLI-lengte naar een waarde onder de 100. De RLI-kleur geeft de mate van bedreiging weer. Hoe lager de waarde, hoe "minder rood" de bedreigingstatus van soorten, hoe beter. De figuur laat zien dat van 1995 tot 2015 de mate van bedreiging is afgenomen en recent weer iets oploopt. Bron: CLO, 2018e

De afgelopen 25 jaar is veel beleid gevoerd om de achteruitgang van de biodiversiteit te keren. Niet alleen zijn op grote schaal emissies van milieubelastende stoffen teruggedrongen, maar ook zijn veel gebieden op de schop genomen om natuurwaarden te herstellen (PBL, 2016b). Het areaal beschermde natuur is gegroeid, en milieu- en watercondities zijn verbeterd.

Deze verbeteringen zullen eraan hebben bijgedragen dat een aantal soorten in Nederland is teruggekeerd. Na vele jaren waarin achteruitgang van de biodiversiteit is gemeld - of op zijn gunstigst een afvlakking van de achteruitgang - is er in Nederland de laatste jaren voorzichtige verbetering in de bedreiging van soorten te zien. Echter de metingen uit 2017 laten zien dat het herstel fragiel is; zo daalt het percentage niet-bedreigde soorten met één procentpunt ten opzichte van 2016. Deze achteruitgang komt met name door een aantal soorten hogere planten dat afneemt in verspreidingsgebied. Dit zijn plantensoorten van voedselarme tot matig voedselrijke bosranden, graslanden, oevers en wateren. Mogelijk spelen te hoge stikstofdepositie en intensief slootkantbeheer een rol in deze verslechteringen. Naast hogere planten heeft ook een aantal libellensoorten in 2017 een ernstiger bedreigde status gekregen (CLO, 2018e).

Fauna agrarisch gebied

Aanvullend op de afvlakkende trend van de RLI laat de trend van de fauna van het agrarisch gebied nog steeds een afnemend verloop zien. Sinds 1990 zijn vogels, zoogdieren en dagvlinders kenmerkend voor het agrarisch gebied gemiddeld genomen achteruit gegaan. Van de in deze indicator 48 opgenomen soorten zijn 25 soorten achteruitgaan en 9 vooruit. Met name de dagvlinders en de broedvogels zijn als groep achteruitgegaan. Verregaande intensivering en productieverhoging veroorzaken in het agrarisch gebied vermesting en verdroging, waarbij in grasland vroeg en vaak wordt gemaaid, terwijl de gewassen die in monoculturen staan worden behandeld met een nieuwe generatie bestrijdingsmiddelen (neonicotinoïden). Met het verdwijnen van de kleinschalige, extensieve landbouw door ruilverkaveling en schaalvergroting verdwijnen randen en overhoekjes met nectarplanten, waardplanten, voedsel, schuilplaatsen en nestgelegenheid, met als resultaat dat met name de voortplanting sterk afgenomen is van dieren in het agrarisch gebied. Overigens neemt ook het totale areaal grasland af. De hamster profiteert van herintroductie en van een strikt beheerprogramma en ook de das weet zich te herstellen dankzij betere bescherming (www.clo.nl).

Figuur 3.8 | Trend van de fauna in agrarisch gebied over de periode 1990-2017. Bron: CLO, 2018f

Mariene fauna

Ook de gemiddelde populatie-omvang van dieren in de open Noordzee is tussen 1990 en 2015 met meer dan 30% achteruitgegaan. Van de in totaal 140 soorten in deze indicator nemen er 57 significant af in aantal en 35 toe. Vooral bodemfaunasoorten - met 85 soorten de grootste groep in deze indicator - zijn in aantal afgenomen (CLO, 2018g). De afname komt hoogstwaarschijnlijk door de boomkorvisserij in het NCP. Daarbij trekken vissersschepen zware kettingen over de bodem om de platvissen op te jagen, zodat deze in de netten terecht komen. De bodem wordt daarbij omgeploegd en veel bodemdieren sterven daardoor (Polet en Depestele, 2010). De overige mariene soorten als vissen en vogels laten een redelijk stabiele trend zien.

Figuur 3.9 | Trend mariene fauna tussen 1990 en 2015. Bron: CLO, 2018g

Referentiesituatie

Een groot deel van de soorten kent nu een sterk negatieve trend. Het is de verwachting dat als gevolg van verdere schaalvergroting in de landbouw en verstedelijking en de toename van verkeer de milieudruk zal blijven toenemen en de negatieve trend met name in het agrarische gebied zich voortzet.

De Nederlandse boomkorvisserij, oorzaak van de negatieve trend in de mariene fauna, is sinds 2000 sterk verminderd en grotendeels vervangen door pulskorvisserij en andere visserijvormen. Ondanks de vermindering van de boomkorvisserij is nog geen herstel te zien van de bodemfauna, al is er in de laatste tien jaar geen verdere afname in bodemfauna te zien. Het herstel kan meer tijd vragen, maar wellicht is de huidige visserij voor herstel nog steeds te intensief. Ook andere visserijtechnieken zoals flyshoot hebben effecten op de bodemfauna. Bovendien kan een lage intensiteit al schadelijk zijn (Van Denderen, 2015). Onduidelijk is wat het recente effect van het verbod van de pulskorfvisserij zal zijn op de bodemfauna.

Binnen de natuurgebieden en de wateren zal naar verwachting de negatieve trend verder afvlakken en mogelijk keren op het moment dat de uitgevoerde Natura 2000-maatregelen, KRW-maatregelen en realisatie van het NNN tot resultaat gaan leiden.

Verder worden er stappen gezet richting de overgang naar kringlooplandbouw, waardoor de milieudruk op landbouw- en natuurgebieden kan verminderen en biodiversiteit versterkt. Ook worden stappen gezet naar natuurinclusieve stedenbouw om negatieve impact op de biodiversiteit te beperken. Verankering van deze stappen moet plaatsvinden in de NOVI.

  • 1 PBL, 2018b