Soorten & habitats (milieucondities)

Soorten & habitats

Definitie: Juiste milieucondities ten behoeve van het duurzaam instandhouden van soorten en habitats.

Huidige staat

2

De huidige staat ten aanzien van de milieucondities ten behoeve van het duurzaam instandhouden van soorten en habitats wordt matig gewaardeerd. De milieudruk - als gevolg van verdroging, vermesting, verzuring en stikstofdepositie - neemt af, maar is bijna altijd nog te hoog voor een duurzame instandhouding van soorten en habitats, zowel binnen als buiten natuurgebieden.

Referentiesituatie

2

Richting 2030 blijft de staat ten aanzien van de milieucondities voor de duurzame instandhouding matig presteren, ondanks dat binnen natuurgebieden de milieucondities zullen verbeteren door het treffen van herstelmaatregelen om verdroging te bestrijden en om de stikstofdepositie te verlagen. Buiten natuurgebieden zal het herstel namelijk achterblijven als gevolg van vergroting van de milieudruk door bijvoorbeeld een toenemende druk door verstedelijking, mobiliteit, industrie en landbouw.

Definitie

Dit criterium omvat milieucondities die nodig zijn voor een duurzame instandhouding van soorten en habitats. De focus ligt hierbij met name op stikstofdepositie, verzuring en verdroging. Maar ook vermesting in zowel zet als zout water speelt een rol.

Huidige ambities

De ambitie ten aanzien van milieucondities vloeit vloeit voor een belangrijk deel voort uit de ambities ten aanzien van biodiversiteit: het scheppen van duurzame condities voor het voortbestaan van alle in 1982 in Nederland voorkomende soorten en populaties in 2020. De EU biodiversiteits-strategie heeft zes streefdoelen. De eerste gaat over de VHR waarvoor is afgesproken dat tegen 2020 er een verdubbeling is van het aantal habitats met gunstige of verbeterde stand van instandhouding (svi) en een toename van 50% van het aantal soorten met gunstige svi ten opzichte van 2010. Voor de realisatie van de svi’s voor alle soorten en habitats van de VHR is geen eindtermijn afgesproken. Daarom wordt nu in het project ‘Tussendoelen’ nagedacht over het formuleren van tussendoelen (Rijksoverheid, 2012; Rijksoverheid, 2013).

Huidige staat

Sinds 1990 zijn de milieu- en watercondities in natuurgebieden en oppervlaktewateren verbeterd. Milieudruk door vermesting, verzuring, verdroging en slechte waterkwaliteit nam voor al deze factoren af. Doordat duurzame milieucondities nog niet zijn bereikt, zijn veel planten- en diersoorten bedreigd en hebben veel ecosystemen een lage kwaliteit. Zie figuur 3.14.

Figuur 3.14 | Milieudruk is voor alle factoren nog te hoog voor een duurzame instandhouding

Stikstofdepositie

De huidige milieudruk door stikstofdepositie is in veel ecosystemen op het land nog te hoog. Met name in de ecosysteemtypen bos, open duin en heide zijn de condities door stikstofdepositie over vrijwel het gehele areaal matig of slecht. Trendgegevens laten zien dat de stikstofbeschikbaarheid van de bodem in open duin en halfnatuurlijk grasland is toegenomen. Vermesting speelt met name op de voedselarme zandgronden in gebieden waar de ecosystemen erg gevoelig zijn voor stikstofdepositie en de depositie uit intensieve veehouderij hoog is. Veel van de ecosystemen in het noorden en westen van het land zijn minder gevoelig voor stikstofdepositie. Het gaat daarbij veelal om van nature voedselrijke wateren en moerassen in (zee/rivier)kleigebieden (CLO, 2018h).

Figuur 3.15 | Milieudruk van stikstofdepositie binnen landnatuur.

Verzuring

Als gevolg van depositie van verzurende stoffen uit de lucht kan de bodem in natuurgebieden verzuren en kunnen plantensoorten uit dat gebied verdwijnen. De trendlijnen laten zien dat de zuurgraad van de bodem landelijk daalt in alle ecosystemen op het land. De daling in zuurgraad van de bodem kan het gevolg zijn van natuurlijke successie maar ook van de verzurende werking van stikstofdepositie. In ongeveer een vijfde van het totaal areaal landnatuur zijn de milieucondities in termen van zuurgraad niet goed. Locaties waar de zuurgraad momenteel als onvoldoende wordt beoordeeld, liggen vooral in halfnatuurlijke graslanden en moerassen. In bossen, en in grotere mate in de duinen en de heide, zijn de milieucondities in termen van zuurgraad veelal goed. Toch is het bereikte resultaat nog onvoldoende voor het bereiken van goede condities voor ecosystemen en soorten. Er treedt nog steeds verzuring op door stikstofdepositie en door natuurlijke successie maar de verzuring is van een veel geringere orde dan enkele decennia geleden (CLO, 2018i).

Figuur 3.16 | Areaal landnatuur met bepaalde geschiktheid van de zuurgraad

Verdroging

Op veel plaatsen is de grondwaterstand verlaagd voor landbouw en bewoning of door waterwinning. Daardoor is ook in natuurgebieden de grondwaterstand gedaald. Te lage grondwaterstand in het voorjaar is een belangrijke oorzaak voor de achteruitgang van zeldzame soorten in ecosystemen. Ongeveer twee vijfde van het landelijk verdrogingsgevoelige areaal natuur is verdroogd (in termen van te lage grondwaterstand). Locaties waar de gemiddelde voorjaarsgrondwaterstand (GVG) momenteel als onvoldoende wordt beoordeeld, liggen vooral op de zandgronden. Het zijn met name beheertypen natte heide, natte gras- en hooilanden en vochtige bossen die gevoelig zijn voor verdroging en vaak ook daadwerkelijk verdroogd zijn.

De landelijke trends in de gemiddelde voorjaarsgrondwaterstand (1999-2017) zijn stabiel in halfnatuurlijk grasland en open duin. In heide en moeras zijn de trends licht dalend, evenals in bos. Vooral in moerassen daalt de grondwaterstand waardoor de beschikbaarheid van vocht in de bodem voor planten afneemt en er verdroging optreedt (CLO, 2018j).

Figuur 3.17 | Geschikte milieucondities ten aanzien van verdroging binnen landnatuur

Referentiesituatie

Een belangrijk instrument om stikstofdepositie in natuurgebieden te verbeteren, is het Programma Aanpak Stikstof (PAS). Rijk en provincies zetten in dit programma in op natuurherstel en een dusdanige daling van stikstofdepositie in stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden dat er tegelijkertijd ruimte ontstaat voor economische ontwikkeling in de nabijheid van die gebieden. Veel van de herstelmaatregelen zijn ook gericht om verdroging te bestrijden. De beschikbaarheid van voedingsstoffen en de zuurgraad is immers niet alleen afhankelijk van de huidige depositie van vermestende stoffen, maar wordt ook beïnvloed door verdroging en de kwaliteit van het oppervlakte- en grondwater (CLO, 2018i). Het streven is dat de achtergronddepositie de komende jaren daalt. De daling van de stikstofdepositie resulteert ook in een daling van de verzurende effecten van stikstofdepositie.

Door economische groei en bevolkingsgroei dat gepaard gaat met meer verkeersbewegingen, productieprocessen, intensievere landbouw zal de druk op milieucondities blijven toenemen.