Aanpak

Zowel de huidige ‘Staat van de fysieke leefomgeving’ als ook de referentiesituatie zijn in beeld gebracht. De referentiesituatie vormt het vertrekpunt voor de effectbeoordeling; dit is de situatie zoals die zich in de toekomst voor zou doen bij ongewijzigd beleid én waarbij autonome trends en ontwikkelingen in acht worden genomen. In het PlanMER worden effecten, kansen en risico’s van beleidskeuzes beschouwd ten opzichte van deze referentiesituatie. Zo ontstaat een beeld van de daadwerkelijke impact van het nieuwe beleid, inclusief de mate waarin het nieuwe beleid in meer of mindere mate dan het bestaande beleid invloed heeft op autonome trends en ontwikkelingen. Dit levert zinvolle beslisinformatie.

In de ontwerp-NOVI wordt een tijdshorizon tot 2030 gehanteerd en wordt een doorkijk gegeven richting 2050. In het planMER worden effecten in principe beschouwd ten opzichte van de referentiesituatie in 2030. Hoewel er al een grote mate van onzekerheid bestaat over autonome trends en ontwikkelingen over de periode tot aan 2030, zijn de onzekerheden over autonome trends en ontwikkelingen op de lange termijn - richting 2050 - enorm. Daarom wordt in het PlanMER alleen waar relevant en mogelijk een kwalitatieve doorkijk gegeven richting 2050.

Net als voor de beschrijving van de huidige situatie, is voor de beschrijving van de referentiesituatie gebruik gemaakt van bestaande informatie en studies. Zo bevatten de WLO-scenario’s (Welvaart en Leefomgeving) van de planbureaus inzicht in autonome trends en ontwikkelingen (we gaan uit van worst-case). In de beschouwing van de referentiesituatie zijn de gevolgen van verschillende trends en ontwikkelingen voor de verschillende indicatoren meegewogen, zoals technologische ontwikkelingen (zoals in mobiliteit en digitalisering), maatschappelijke ontwikkelingen (zoals ontwikkeling van de economie en het aantal huishoudens) en andere autonome trends die de kwaliteit van de fysieke leefomgeving beïnvloeden (zoals klimaatverandering). Ook is meegewogen wat de verwachte invloed is als het bestaande beleid wordt voortgezet. Waar mogelijk worden belangrijke onzekerheden expliciet benoemd (denk bijvoorbeeld aan de ontwikkeling van schone voertuigtechnologie, luchtvaart of aanpassing van klimaatscenario’s).

Bij de beschouwing van indicatoren is een ‘waardering’ gegeven aan de referentiesituatie, op basis van een kwalitatieve inschatting van:

  • de mate waarin autonome trends en ontwikkelingen leiden tot een vooruitgang of achteruitgang van de huidige staat;

  • de mate waarin voortzetting van bestaand beleid leidt tot een vooruitgang of achteruitgang.

Bij de beschrijving is een kwalitatieve ‘waardering’ gegeven voor zowel de ‘huidige staat’ van de indicatoren als voor de referentiesituatie. Waar mogelijk wordt deze waardering gegeven op basis van de mate waarin naar verwachting wordt voldaan aan specifieke (nationale) ambities voor de indicatoren. Voor de waardering van de huidige staat is gebruik gemaakt van de vijfpuntsschaal die is toegelicht in de volgende tabel.

De waardering is tijdens een expertsessie uitgevoerd door deskundigen en ter verificatie besproken met de brede begeleidingsgroep voor het planMER en het team dat de ontwerp-NOVI heeft voorbereid.

Tabel 1.1 | Schaal voor de waardering van de Staat van de fysieke leefomgeving

Waardering:

Toelichting:

5

De staat is overal goed, er zijn geen knelpunten (ambities worden overal gehaald)

4

De staat is overwegend goed, lokaal zijn er wat knelpunten (ambities worden grotendeels gehaald)

3

De staat is redelijk, verspreid zijn er knelpunten (ambities worden vaak wel, soms niet gehaald)

2

De staat is matig, er zijn redelijk wat knelpunten (ambities worden soms gehaald)

1

De staat is overal slecht, er zijn overal knelpunten (ambities worden nergens gehaald)