Emissie en vastlegging van broeikasgassen

Emissies en vastlegging van broeikasgassen

Definitie: Verandering in de emissie en vastlegging van broeikasgassen.

Huidige staat

2

De huidige staat is gewaardeerd als matig; hoewel er sprake is van een afname van de emissie broeikasgassen (in 2017 12,6% t.o.v. 1990, Nationale Energieverkenning, 2017) zijn we weliswaar op weg naar de emissiereductiedoelstelling voor broeikasgassen, maar zijn we nog ver verwijderd van de doelstelling van het Kabinet van 49% reductie broeikasgassen t.o.v. 1990 in 2030.

Referentiesituatie

1

De referentiesituatie is gewaardeerd als slecht; de uitstoot van broeikasgassen daalt in 2030 met 31% ten opzichte van 1990 (Nationale Energieverkenning, 2017). Hiermee is het bereiken van de doelstelling van het Kabinet van 49% reductie broeikasgassen in 2030 t.o.v. 1990 nog niet in zicht. Hierbij is nog geen rekening is gehouden met het concept Klimaatakkoord, openstelling van de (nog te verbreden) SDE+ in 2019, het voornemen de inzet van steenkool voor elektriciteitsopwekking per 2030 te verbieden, noch met maatregelen die in het kader van Urgenda worden genomen.

Toelichting definitie

Onder broeikasgassen worden de volgende gassen verstaan: kooldioxide (CO2), methaan, distikstofoxide (N2O/lachgas) en fluorhoudende gassen. De emissie en vastlegging van deze gassen spelen een belangrijke rol in het beperken van de klimaatverandering. Bij deze indicator wordt gekeken naar de verandering in de emissie en vastlegging van broeikasgassen.

Huidige ambities

Nederland heeft zich in internationaal kader gecommitteerd aan het Klimaatakkoord van Parijs uit 2015. Middels dit verdrag proberen bijna alle landen van de wereld om de stijging van de mondiale temperatuur te beperken tot onder niveau onder de 2 graden Celsius t.o.v. het pre-industriële niveau en te streven naar een maximale stijging van 1.5 graden Celsius. Met oog op het Klimaatakkoord van Parijs stelde de Europese Unie in haar strategie voor aanpassing aan de klimaatverandering doelstellingen voor de reductie van de emissie CO2, namelijk 20% ten opzichte van 1990 in 2020, 40% in 2030 en 80-95% in 2050. De EU wil dat alle lidstaten met nationale actieplannen komen om de gevolgen van klimaatverandering het hoofd te bieden.

Met oog op het halen van de in internationaal en Europees verband gemaakte afspraken, heeft het Kabinet zich in haar regeerakkoord een emissiereductiedoelstelling gesteld van 49% t.o.v. 1990 in 2030. Deze doelstelling vormt uitgangspunt voor het nog vast te stellen Klimaat- en energieakkoord en de Klimaatwet. Hoewel deze wettelijke verankering nog moet worden bestendigd, is deze hogere doelstelling al wel meegenomen in de referentiesituatie ten behoeve van dit planMER.

Overigens adopteert de ontwerp-NOVI de klimaatdoelstelling van 49% emissiereductie broeikasgassen t.o.v. 1990 in 2030, maar bevat de ontwerp-NOVI geen concrete afspraken over het realiseren van de klimaatdoelstellingen; dit is aan de orde in het Klimaat- en energieakkoord en de nog vast te stellen Klimaatwet. De NOVI geeft richting voor de wijze waarop in de toekomst in de fysieke leefomgeving ruimte wordt geboden voor de vast te stellen maatregelen.

Huidige staat

De groei van de wereldbevolking en -economie leidt zonder ingrijpen ook tot een hernieuwde groei van de uitstoot van broeikasgassen. In 2017 was de totale uitstoot van broeikasgassen (CO2, methaan, lachgas en fluorhoudende gassen) in Nederland 12,6 procent lager dan in 1990. Het aandeel CO2 in de totale uitstoot van broeikasgassen is gestegen van 74 procent in 1990 naar 85 procent in 2017. De uitstoot van CO2 was in 2017 net zo hoog als in 1990. De uitstoot van de andere broeikasgassen (methaan, lachgas en fluorhoudende gassen) is gehalveerd ten opzichte van 1990. Van de sectoren in Nederland is de emissie van broeikassen bij industrie het grootst met 30% van het totaal. Gevolgd door de sectoren elektriciteitsopwekking (25%), de gebouwde omgeving (13%), verkeer en vervoer (18%) en de landbouw (14%)[1] (zie figuur 2.18).

Figuur 2.18 gebaseerd op cijfers van emmissieregistratie.nl

In figuur 2.17 is het verloop van de totale emissie van broeikasgassen (in CO2-equivalenten). De totale emissie van broeikasgassen blijkt in 2017 ten opzichte van 2016 te zijn afgenomen met bijna 3 Mton CO2-eq 3 van 195,2 naar 192,5 Mton CO2-eq. De daling in 2017 komt vooral door de afname van de koolstofdioxide (CO2-)emissie. Deze daalde van 165,7 in 2016 naar 163,3 miljard kilogram in 2017. De daling komt vooral doordat er minder steenkool en meer aardgas is ingezet voor de elektriciteitsproductie.

CO2

De emissie van CO2 in 2017 is nagenoeg gelijk aan de CO2-emissie in 1990, terwijl de sectoren die deze uitstoot veroorzaken steeds omvangrijker zijn geworden. De CO2-emissie is niet meegestegen met de groei van deze sectoren. Deze "zogenaamde" vermeden emissies zijn het gevolg van onder andere:

  • verhoging rendement elektriciteitscentrales;

  • energiebesparingsmaatregelen binnen de industrie;

  • meer elektriciteitsproductie uit wind;

  • minder gebruik fossiele brandstof per afgelegde kilometer;

  • betere isolatie en een grotere inzet van hoogrendementsketels in woningen en bedrijfsgebouwen.

Figuur 2.17 | Verloop emissie broeikasgassen (1990-2017)

Figuur 2.18 | Verloop emissie kooldioxide (CO2) (1990-2017)

Methaan

Met een totale uitstoot van 743 kton in 2016 is de uitstoot van CH4 ten opzichte van het basisjaar (1990) voor Kyoto (1.278 kton) met 42 procent (535 kton) gedaald (zie figuur 2.19). Het grootste deel van deze daling, 433 kton, is het gevolg van de reguliere afname van emissies uit stortplaatsen (sector afvalverwijdering). Daarnaast heeft er ook een daling van 43 kton plaatsgevonden in de landbouwsector en 51 kton in de energiesector. De daling in de landbouwsector wordt met name veroorzaakt door een afname van de dieraantallen en minder gebruik van dierlijke mest. Na 2012 is de daling in de landbouwsector omgeslagen in een lichte stijging door vooral een toename van de dieraantallen. In de energiesector zijn door het nemen van maatregelen de emissies als gevolg van het afblazen van ruw aardgas bij de olie- en gaswinning afgenomen.

Figuur 2.19 | Verloop emissie methaan (CH4) (1990-2017)

Distikstofoxide (N2O)

De uitstoot van N2O in 2016 ten opzichte van het basisjaar voor Kyoto is met ongeveer 54% gedaald tot 27 kton (zie figuur 2.20). Deze daling van de uitstoot van N2O is gerealiseerd in de chemische industrie (-19,5 kton) en de landbouwsector (-13 kton). De afname van de uitstoot in de chemische industrie is het gevolg van N2O-reductiemaatregelen bij de productie van salpeterzuur. De daling in de landbouwsector kent verschillende oorzaken te weten: afname van dieraantallen, minder gebruik van zowel kunstmest als dierlijke mest en een lagere N-uitstoot per dier door een lager N-gehalte in het voer. Net zoals bij CH4 is de daling in de landbouwsector na 2012 omgeslagen in een lichte stijging door vooral een toename van de dieraantallen.

Figuur 2.20 | Verloop emissie distikstofoxide (N2O) (1990-2017)

Fluorhoudende gassen

In 2016 is de totale uitstoot van fluorhoudende gassen ten opzichte van 1990 met 73% gedaald tot 2,7 Mton CO2-eq. Hiervan is 2,4 Mton CO2-eq afkomstig van HFK's, 0,15 Mton CO2-eq van PFK's en 0,13 Mton-eq van SF6 (zie figuur 2.21). De afname van de uitstoot van fluorhoudende gassen is vooral het gevolg van reductiemaatregelen die getroffen zijn in het kader van het Reductieplan Overige Broeikasgassen.

Figuur 2.21 | Verloop emissie fluorhoudende gassen (1990-2017)

Referentiesituatie

In de onderstaande tabel en grafiek zijn de verwachte broeikasgasemissies (Totaal, CO2 en overige broeikasgassen) weergegeven bij vastgesteld en voorgenomen beleid. Dit betreft een analyse van PBL (in 2018), waarbij rekening is gehouden met de hoofdlijnen van het Klimaatakkoord (PBL, 2018a). Het beeld rond de emissies tussen 2020 en 2030 blijft echter zeer onzeker en is in sterke mate afhankelijk van de onzekere ontwikkelingen op de elektriciteitsmarkt in binnen- en buitenland (ECN, 2017). Op basis van het huidige beleid zal de beoogde doelstelling van 49% CO2-reductie in 2030 niet worden behaald.

Tabel 2.1 | Verloop verwachte broeikasgasemissies (2015-2030)

Figuur 2.22 | Verloop verwachte broeikasgasemissies (1995-2030) Bron van tabel en grafiek: PBL, 2018a

In de periode na 2020 verwachten we dat de nationale broeikasgasemissies verder dalen, met name na 2023. De daling van de emissies na 2020 wordt voornamelijk verklaard door de verwachte ontwikkelingen in de energiesector. Bij voorgenomen beleid daalt de emissie met meer dan acht megaton CO2-equivalenten in de periode 2020–2030. De toepassing van decentrale, aardgasgestookte, warmte-kracht-koppeling neemt naar verwachting in deze periode zeer sterk af. Aan het einde van dat decennium wordt in de projectie ook de inzet van kolencentrales lager. Ook de CO2-emissies uit de meeste andere sectoren dalen bij voorgenomen beleid naar verwachting; die uit de gebouwde omgeving dalen met ruim drie megaton CO2-equivalenten en uit de landbouw (glastuinbouw) met circa twee megaton. Bovendien dalen de emissies van de overige broeikasgassen uit de overige sectoren (niet-landbouw) met bijna drie megaton. De CO2-emissies uit verkeer dalen met 0,5 megaton naar verwachting beperkt, die uit de industrie blijven min of meer stabiel.

Referentiesituatie 2050

Als gevolg van internationaal klimaatbeleid en bindende Europese afspraken zal het aandeel hernieuwbare energie en de energiebesparing toenemen. Tussen 2030 en 2035 daalt de totale emissie van broeikasgassen in Nederland met circa zeven megaton verder, tot een totaal van circa 146 megaton CO2-equivalenten (reductie van 34% ten opzichte van 1990). Vooral de energiesector en ook de gebouwde omgeving dragen aan deze daling bij. In het scenario met voorgenomen beleid wordt aangenomen dat na 2030 windenergie op zee fors doorgroeit. Hierdoor daalt de inzet van kolencentrales, ondanks een toenemende elektriciteitsexport. Energiebesparing in bestaande bouw, bijna energieneutrale nieuwbouw en het afschaffen van de aansluitplicht voor aardgas leiden tot een verdere afname van het aardgasverbruik in de gebouwde omgeving en een daaraan gerelateerde daling van CO2-emissies. Er zal sprake zijn van een absolute ontkoppeling: terwijl de economie groeit, daalt het energieverbruik. Dit leidt – afhankelijk van de effectiviteit van het klimaatbeleid - tot een vermindering van de uitstoot van broeikasgassen tussen de 45% en 65% in 2050. De opwarming van de aarde komt dan uit op termijn uit tussen de 2,5 en 4 graden. Welke mix van emissiearme technologieën uiteindelijk dominant zal worden, is op dit moment onzeker. Daarnaast blijft ook in de toekomst de Nederlandse energievoorziening sterk leunen op fossiele energie. Opvang en opslag van CO2 (CCS) zal daarom een belangrijke rol spelen.

  • 1 Emissie Registratie. (2019). Nationale Broeikasgasemissies volgens IPCC. Geraadpleegd via http://www.emissieregistratie.nl/erpubliek/erpub/international/broeikasgassen.aspx.