Prioriteit 4: Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied

Beleid NOVI

Invloed op Natura 2000

Risico’s op (significant) negatief effect in relatie tot uitvoerbaarheid

Randvoorwaarden voor uitwerking beleid in vervolgbesluiten

4.1

Verbeteren balans tussen landgebruik en omgevingskwaliteiten

Bodem en water

Geen negatieve invloed.

Het beleid dat streeft naar een betere afstemming tussen landgebruik en de natuurlijke systemen in bodem, water ondergrond en omgeving heeft geen verhoging van de milieudruk tot gevolg en daarbij geen negatieve invloed op het Natura 2000-netwerk.

Niet van toepassing.

Bodemdaling

Door het opzetten van het waterpeil kunnen de hydrologische condities van gebieden veranderen.

De wijze hoe de bodemdaling, verzilting (en CO2-emissies) worden tegengegaan is nog niet bekend. Aannemelijk is dat het waterpeil omhoog gaat of dat hele gebieden onder water worden gezet. In dat geval kunnen hydrologische condities, met name binnen het Natura 2000-landschap meren en moerassen dermate wijzigen dat dit een risico vormt.

Bij de uitwerking van het beleid moet rekening worden gehouden met de hydrologische vereisten van het Natura 2000-netwerk.

4.2

Biodiversiteit en natuurlijk kapitaal

Waterkwaliteit

Niet van toepassing.

Dit betreft voortzetting van bestaand beleid en is in deze passende beoordeling niet beoordeeld.

Niet van toepassing.

Natuur

Geen negatieve invloed.

Het beleid is gericht op het verder beschermen en verbinden van natuurgebieden. Er wordt gezocht naar mogelijkheden om de biodiversiteit in de landbouw te vergroten. Dit heeft geen negatieve invloed op het Natura 2000-netwerk.

Niet van toepassing.

Stedelijk gebied

Geen negatieve invloed.

Dit beleid streeft naar het vergroten van de biodiversiteit in stedelijk gebied. Dit heeft geen negatieve invloed op het Natura 2000-netwerk.

Niet van toepassing.

4.3

Duurzaam en vitaal landbouw- en voedselsysteem

Kringlooplandbouw

Geen negatieve invloed.

Het realiseren van een circulair systeem met zo min mogelijk verliezen, gebruik afgestemd op bodem- en watersysteem en lokale omstandigheden draagt bij aan het biodiversiteitsherstel. Dit heeft geen negatieve invloed op het Natura 2000-netwerk.

Niet van toepassing.

Verduurzaming veehouderij

Geen negatieve invloed.

Door een lage milieubelasting vanuit de landbouw nabij natuurgebieden moet de waterkwaliteit verbeteren. Dit heeft geen negatieve invloed op het Natura 2000-netwerk.

Niet van toepassing.

Verschillende ruimteclaims en indeling landelijk gebied

Geen negatieve invloed.

Bij gelijkblijvende productie zal er wel een grotere ruimtevraag ontstaan. Dit vraagt een optimale combinatie van verschillende functies wat uitgewerkt wordt in gebiedsprocessen. In beginsel leidt dit niet tot negatieve invloed op het Natura 2000-netwerk.

Niet van toepassing.

4.4

Versterken en beschermen landschappelijke kwaliteiten

Landschapskwaliteit

Geen negatieve invloed.

Het beleid is gericht op beschermen van het landschap. Dit heeft geen negatieve invloed op het Natura 2000-netwerk.

Niet van toepassing.

Besluit kwaliteit leefomgeving

Geen negatieve invloed.

Het beleid is gericht op het betrekken van cultuur, landschap en natuur bij ontwikkelingen in het landelijke gebied. Dit heeft geen negatieve invloed op het Natura 2000-netwerk.

Niet van toepassing.

Uitkomsten passende beoordeling voor beleidsprioriteit 4: Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied

De beleidskeuzes hebben mede tot doel om een bijdrage te leveren aan het biodiversiteitsherstel, waar met name binnen het landbouwgebied grote winst te halen is. Het beleid is vooral gericht op het afstemmen van het landgebruik op de karakteristieken van de bodem en water, zodat bodem- en watersystemen niet zo min mogelijk aangepast moeten worden. Het gaat hier grotendeels om waterafhankelijke functies waar het Natura 2000-netwerk ook toe gerekend moet worden. Het netwerk moet daarmee ook beter opgewassen zijn tegen klimaatverandering waar langdurigere droogtes vaker zullen voorkomen. In beginsel heeft dit geen negatieve gevolgen voor het Natura 2000-netwerk.

Aandachtspunt is wel de mogelijk optredende ruimtevraag om het productieniveau in de kringlooplandbouw op peil te houden. In zorgvuldige gebiedsprocessen moet deze ruimtevraag gecombineerd worden met andere functies om zo te borgen dat de noodzakelijke uitbreiding van natuurgebieden, denk aan hydrologische bufferzones, niet onmogelijk wordt.

Nabij natuurgebieden wordt gestreefd naar landbouw met een lage milieudruk. Door de verdere uitvoering van de KRW-maatregelen wordt de waterkwaliteit verbeterd wat gunstig is voor het Natura 2000-netwerk.

Bij kringlooplandbouw is het gebruik van dierlijke mest wel een aandachtspunt.

In het beleid is nog niet concreet uitgewerkt welke maatregelen getroffen worden om de bodemdaling in het veenweidegebied tegen te gaan. Opzetten van het waterpeil is een mogelijkheid. Het Natura 2000-landschap meren en moerassen komt met name voor in het veenweidegebied. Verdroging is hier vaak een probleem en het verhogen van het waterpeil kan een positief effect hebben. Wanneer de uitvoering van deze maatregel tot gevolg heeft dat hele gebieden onder water worden gezet, dan bestaat het risico dat dit significant negatieve effecten veroorzaakt omdat de hydrologische omstandigheden in de betreffende Natura 2000-gebieden zodanig veranderen dat de natuurlijke kenmerken niet gewaarborgd kunnen worden. Bij de verdere uitwerking van dit beleid moet daarom rekening worden gehouden met de hydrologische vereisten van de betreffende Natura 2000-gebieden.

Kansen

Dit beleid heeft positieve effecten op biodiversiteit, milieucondities en verbondenheid binnen het landelijk gebied en kan daarmee ook een positieve bijdrage leveren aan het behalen van de Natura 2000-doelen. De Natura 2000-doelen zijn immers afhankelijk van de natuurwaarden en omgevingscondities met name binnen het landelijk gebied. Door bij de verdere uitwerking van het beleid de behoeftes van omliggende Natura 2000-gebieden te betrekken en de biodiversiteit maximaal te dienen, kan hier een bijdrage aan geleverd worden.

Door een betere verdeling van de zoetwaterbeschikbaarheid liggen er kansen bij die Natura 2000-landschappen die gevoelig zijn voor verdroging, wat door klimaatverandering versterkt zal worden. Dit zijn met name de Natura 2000-landschappen van de hogere zandgronden, beekdalen, heuvelland en hoogveen waar het diep wegzakken van de grondwaterstand een groot knelpunt is.

Er liggen kansen om de milieudruk binnen het Natura 2000-netwerk te verlagen door een betere invulling van de landbouw rondom natuurgebieden waardoor de milieudruk als gevolg van bijvoorbeeld verdroging en vermesting wordt verlaagd.

Bij oplossen van de problematiek rondom bodemdaling in de veenweidegebieden bestaan er kansen om knelpunten rondom verdroging binnen met name het Natura 2000-landschap meren en moerassen te verminderen. Door het opzetten van waterpeil worden CO2-emissies verlaagd, bodemdaling verminderd en liggen er kansen om de natuurkwaliteit te verbeteren.