Huidige situatie

Staat van instandhouding

Het meest recente overzicht van de staat van instandhouding van soorten en habitattypen en trends van vogels is in 2017 verschenen en omvat de periode 2007-2012. Eind 2019 wordt de actualisatie verwacht. De samenvatting hiervan is in figuur 4.1 weergegeven.

Figuur 4.1 | Staat van instandhouding van Habitatrichtlijn en trend van Vogelrichtlijn

Het Compendium voor de Leefomgeving geeft aan dat slechts enkele habitattypen (4%) een gunstige staat van instandhouding, tegenover 23% van de habitatrichtlijnsoorten. De vogelsoorten in Nederland doen het beter met 64% van de soorten met een stabiele/positieve trend in populatieomvang. Het gaat hierbij met name om de niet-broedvogels. De broedvogels laten deels nog een ongunstige staat van instandhouding zien (zie figuur 4.6).

Bovenstaande figuur geeft ook aan dat in de huidige situatie er nog geen sprake is van een landelijke gunstige staat van instandhouding van de Natura 2000-gebieden. De doelstellingen zijn nog niet behaald.

Trend

In Nederland is in 10% van de habitattypen met een ongunstige staat van instandhouding een verbetering te zien. Echter, net als in de andere Europese lidstaten verslechteren er in Nederland meer habitattypen met een ongunstige staat van instandhouding dan dat er verbeteren. In Nederland is in bijna 27% van de habitattypen de status verslechterd (zie figuur 4.2).

Figuur 4.2 | Trends van habitatsoorten en habitattypen in Nederland die in een ongunstige staat van instandhouding verkeren tussen de periode 2001-2006 en 2007-2012 (PBL/aug16, www.clo.nl/nl48304)

Voor Nederland zijn de trends over 2001-2012 wisselend: 39% van de broedvogels en 37% van de overwinterende populaties laten een verbetering zien. Daar staat tegenover dat 37% van de broedvogels en 21% van de overwinterende populaties juist een afnemende trend vertonen. Hiermee behoort Nederland op Europees niveau tot de lidstaten die de sterkste verbetering laten zien, maar anderzijds, voor broedvogels, ook de meeste verslechtering. Zie hiervoor figuur 4.3. 

Figuur 4.3 | Trends van broedvogels en niet-broedvogels in Nederland over de periode 2001-2012 (PBL/aug16, www.clo.nl/nl48304)

Deze trends laten zien dat Nederland nog niet voldoet aan de doelstelling de instandhouding van soorten, en habitattypen in gunstige staat te brengen en te houden. Het toekomstperspectief met dergelijke trends is ook nog lang niet altijd gunstig.

Bijdrage provincies aan doelbereik

Elke provincie levert een bijdrage aan de realisatie van de doelen van de Vogel- en Habitatrichtlijn omdat zich in elke provincie soorten en habitattypen bevinden die beschermd zijn onder deze richtlijnen. De grootte van deze bijdrage verschilt per provincie. In onderstaande figuur is weergegeven welk percentage van de totale verspreiding van alle in Nederland voorkomende habitattypen en (vogel)soorten van de Vogel- en Habitatrichtlijn (VHR) binnen de provincie voorkomt. Hiermee wordt de relatieve bijdrage en daarmee het belang van elke provincie voor de realisatie van de landelijke doelstellingen van de Vogel- en Habitatrichtlijn in beeld gebracht.

Het grootste deel van de verspreiding van habitattypen en soorten bevindt zich in de provincies Fryslân, Overijssel, Gelderland, Noord-Brabant en Limburg. Bepalend hiervoor is het aanwezige oppervlak/areaal aan natuur binnen deze provincies en de kwaliteit ervan. Dit areaal omvat een aantal specifieke leefgebieden (kustgebied, duinen, moerassen, heide en bossen) bestaande uit EU habitattypen en waarbinnen veel van de internationaal belangrijke (vogel)soorten voorkomen.

Figuur 4.4 laat zien dat de doelstelling vanuit de Vogel- en Habitatrichtlijn (het verspreidingsgebied van een soort of habitattype in Nederland mag niet krimpen) een gezamenlijke beleidsopgave is van de provincies en het Rijk.

Figuur 4.4 | Verspreiding van habitattypen en soorten per provincie over de periode 2007-2012