Duinen

Figuur 4.8 | Natura 2000-landschap Duinen (Ministerie van LNV, 2006)

Het Natura 2000 landschap Duinen omvat 18 gebieden, de duinen van de Waddeneilanden, langs de vastelandskust en de duinen in de Delta:

2. Duinen en Lage Land Texel

3. Duinen Vlieland

4. Duinen Terschelling

5. Duinen Ameland

6. Duinen Schiermonnikoog

84. Duinen Den Helder – Callantsoog

85. Zwanenwater & Pettemerduinen

86. Schoorlse Duinen

87. Noordhollands Duinreservaat

88. Kennemerland-Zuid

96. Coepelduynen

97. Meijendel & Berkheide

98. Westduinpark & Wapendal

99. Solleveld

100. Voornes Duin

101. Duinen Goeree & Kwade Hoek

116. Kop van Schouwen

117. Manteling van Walcheren.

De duinen als geheel zijn van internationaal belang door het grote oppervlak, landschappelijke samenhang en biodiversiteit. Relatief belangrijke habitattypen in dit landschap zijn grijze duinen, droge duinbossen, vochtige duinvalleien en mozaïeken van heischrale graslanden en blauwgraslanden. Witte en embryonale duinen, en de daarbij behorende dynamische processen, zijn van groot belang voor de duurzame instandhouding van het prioritaire habitattype grijze duinen. De nauwe korfslak is wat betreft zijn voorkomen in Nederland vrijwel volledig gebonden aan de duinen. De grootste en meest duurzame populaties van de groenknolorchis komen voor in de duinen. Voor een aantal broedvogelsoorten die sterk onder druk staan, zoals blauwe kiekendief, velduil en tapuit liggen binnen Nederland de belangrijkste broedgebieden in de duinen. Ook voor de lepelaar vormen de duinen een belangrijk broedgebied. Voor niet-broedvogels is een aantal duingebieden van betekenis als slaap- of hoogwatervluchtplaats in relatie tot nabijgelegen foerageergebieden (intergetijdengebied). Dit is het geval bij Duinen Vlieland en in het bijzonder de Duinen van Goeree & Kwade Hoek.

Op hoofdlijnen zijn de volgende knelpunten te onderscheiden(grotendeels op basis van Ministerie van LNV, 2006):

  • Te weinig (wind)dynamiek door vastleggen van de kust, stikstofdepositie, wegvallen konijnenbegrazing en te extensief beheer met vergrassing en verstruweling als gevolg. Belangrijk voor grijze duinen, tapuit, velduil en blauwe kiekendief.

  • Slechte samenhang tussen de duingebieden onderling, maar ook van de zeereep naar de binnenduinrand.

  • Verdroging van natte duinvalleien, blauwgraslanden en heischrale graslanden, langs de binnenduinrand.

  • Verstoring door recreatie waardoor kwaliteit leefgebied van met name broedvogels wordt beïnvloed.

Versnippering, stikstofdepositie, verdroging en verstoring zijn drukfactoren die hierbij horen.