Hogere zandgronden

Figuur 4.12 | Natura 2000-landschap Hogere zandgronden (Ministerie van LNV, 2006)

Het Natura 2000-landschap hogere zandgronden omvat 36 gebieden. Vooral gelegen in Drenthe, Overijssel, Noord-Brabant en Limburg:

17. Bakkeveense Duinen;

21. Lieftinghsbroek;

22. Norgerholt;

25. Drentsche Aagebied;

26. Drouwenerzand;

27. Drents-Friese Wold & Leggelderveld;

29. Havelte-Oost;

30. Dwingelderveld;

31. Mantingerbos;

32. Mantingerzand;

39. Vecht- en Beneden-Reggegebied;

41. Boetelerveld;

42. Sallandse Heuvelrug;

44. Borkeld;

46. Bergvennen & Brecklenkampse Veld;

50. Landgoederen Oldenzaal;

51. Lonnekermeer;

53. Buurserzand & Haaksbergerveen;

57. Veluwe;

59. Teeselinkven;

62. Willinks Weust;

128. Brabantse Wal;

131. Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen;

133. Kampina & Oisterwijkse Vennen;

134. Regte Heide & Riels Laag;

135. Kempenland-West;

136. Leenderbos, Groote Heide & De Plateaux;

137. Strabrechtse Heide & Beuven;

138. Weerter-en Budelerbergen & Ringselven;

142. Sint Jansberg;

144. Boschhuizerbergen;

145. Maasduinen;

146. Sarsven en De Banen;

149. Meinweg;

151. Abdij Lillbosch & voormalig Klooster Mariahoop;

155. Brunssummerheide.

Nederland is van relatief zeer groot belang voor onder andere zandverstuivingen en stuifzandheiden met struikhei. Functionele en ruimtelijke samenhang van het netwerk is nodig met name voor duurzame instandhouding van fauna en herstel van de algemene biodiversiteit. Relatief belangrijke habitattypen in dit landschap zijn stuifzandheiden met struikhei, binnenlandse kraaiheibegroeiingen, zandverstuivingen, zwak gebufferde vennen, vochtige heiden, heischrale graslanden en blauwgraslanden. De belangrijkste voorkomens van de soort drijvende waterweegbree liggen binnen dit landschap. Het vliegend hert komt voor in een aantal gebieden op de Veluwe en Sint Jansberg. De gebieden van de hogere zandgronden zijn eveneens van groot belang voor soorten als kamsalamander en beekprik.

Voor de broedvogels is het Natura 2000 landschap van grote betekenis voor soorten van zandige tot (hei)schrale biotopen, al dan niet op de overgang naar open bossen. Het gaat om soorten als korhoen, draaihals, nachtzwaluw, duinpieper, tapuit en grauwe klauwier. Voor de aangewezen niet-broedvogelsoorten is dit landschap van beperkte betekenis, met uitzondering van enkele gebieden die slaap- of pleisterplaatsen herbergen van zwanen, ganzen of kraanvogels (Dwingelderveld, Kampina & Oisterwijkse Vennen en Strabrechtse Heide & Beuven).

Op hoofdlijnen zijn de volgende knelpunten te onderscheiden (grotendeels op basis van Ministerie van LNV, 2006):

  • Vermesting via het grond- en oppervlaktewater is een knelpunt voor de habitattypen die gebonden zijn aan voedselarmere omstandigheden.

  • Ook stikstofdepositie speelt hierin een belangrijke rol. Door vergrassing zijn soorten als korhoen, draaihals, duinpieper en tapuit sterk achteruit gegaan.

  • Naast vermesting is ook verzuring van de bodem een knelpunt, waardoor de mineralenhuishouding niet in balans is. Dit heeft naast gevolgen voor habitattypen ook gevolgen voor de voedselbeschikbaarheid van onder andere vogels.

  • In sommige gevallen is het natuurbeheer niet voldoende intensief om de gevolgen van stikstofdepositie op te heffen.

  • Ook verdroging waardoor kwelwater niet meer tot in de wortelzone komt is een knelpunt.

  • De winddynamiek bij stuifzanden en stuifzandheiden is te beperkt voor een duurzame instandhouding van deze habitattypen en bijbehorende soorten.

  • Het gaat vaak om kleine en kwetsbare gebieden in een omgeving die landbouwkundig gebruikt wordt. Herstel op landschapsschaal is nodig om duurzame instandhouding te kunnen waarborgen.

  • Specifiek voor de Veluwe speelt verstoring door recreanten een negatieve rol in de broedvogelpopulatie.

Versnippering, verdroging, vermesting, verzuring, verstoring en stikstofdepositie zijn drukfactoren die hierbij horen.