Noordzee, Waddenzee en Delta

Figuur 4.7 | Natura 2000-landschap Noordzee, Waddenzee en Delta (Ministerie van LNV, 2006)

Het Natura 2000 landschap Noordzee, Waddenzee en Delta omvat 15 gebieden:

7. Noordzeekustzone

109. Haringvliet

113. Voordelta

114. Krammer-Volkerak

115. Grevelingen

118. Oosterschelde

119. Veerse Meer

120. Zoommeer

121. Yerseke en Kapelse Moer

122. Westerschelde & Saeftinghe

123. Zwin & Kievittepolder

124. Groote Gat

125. Canisvlietse Kreek

126. Vogelkreek

127. Markiezaat

Aanvullend op deze gebieden behoren ook een aantal Natura 2000-gebieden die in 2008 en 2009 zijn aangewezen tot dit Natura 2000-landschap. Het gaat om:

  • Vlakte van Raan

  • Noordzeekustzone II

  • Doggersbank

  • Klaverbank

  • Friese Front

Er zijn twee groepen van habitattypen binnen dit landschap te onderscheiden: de habitattypen in de wateren zoals de zandbanken en slikplaten en de meer terrestrische typen zoals zilte pionierbegroeiingen, schorren en zilte graslanden.

Trekvissen als elft, fint en zalm komen in het landschap voor en zijn afhankelijk van verbindingen naar het achterland via de rivieren. Verder is de Delta van belang voor de noordse woelmuis en kruipend moerasscherm. Ook de grotere zeezoogdieren als bruinvis, grijze en gewone zeehond komen in dit landschap voor.

Het Natura 2000-landschap Noordzee, Waddenzee en Delta herbergt een groot aantal karakteristieke Nederlandse broedvogels waarvoor Nederland in Europees verband een belangrijke rol speelt. Het gaat onder meer om meeuwen en sterns en steltlopers als kluut en plevieren. Zij broeden veelal op schaars begroeide zandplaten, schorren en kwelders.

De intergetijdengebieden zijn van grote internationale betekenis als voedselgebied voor niet-broedvogels zoals de eider en voor een groot aantal steltlopers. De kwelders en schorren zijn van grote betekenis voor planteneters, zoals ganzen. Het open water is van belang voor duikende schelpdiereters en voor viseters.

Op hoofdlijnen zijn de volgende knelpunten te onderscheiden (grotendeels op basis van Ministerie van LNV, 2006).

  • Slechte samenhang tussen diep water, kreken, geulen, ondiep water, platen, kwelders of schorren, stranden en bijbehorende sedimentatie- en erosieprocessen.

  • Harde zoet-zoutovergangen waardoor vismigratie voor onder andere fint, zee- en rivierprik bemoeilijkt wordt. Samenhang met de Natura 2000-landschappen rivierengebied en meren en moerassen is hiervoor belangrijk.

  • Slechte kwaliteit van slik- en zandplaten door het ontbreken van schelpenbanken en zeegrasvelden en door bodemroerende activiteiten (visserij).

  • Onvoldoende broed- en foerageergebieden voor broedvogels en trekvogels (behoud openheid, rust en donkerte).

  • Onvoldoende rustgebieden voor zeehonden (onder andere hoogwatervluchtplaatsen en voortplantingsplaatsen).

  • Slechte voedselbeschikbaarheid voor de bruinvis.

  • Aanvaringsrisico voor vogels bij windturbineparken.

Versnippering, verstoring en vermesting zijn de belangrijkste drukfactoren die hierbij horen.