Rivierengebied

Figuur 4.9 | Natura 2000-landschap Rivierengebied (Ministerie van LNV, 2006). Gebieden met een * zijn inmiddels samengevoegd tot het Natura 2000-gebied Rijntakken.

Het Natura 2000-landschap Rivierengebied omvat 17 gebieden. Deze gebieden liggen langs de grote rivieren of langs kleinere rivieren zoals de Linge, Vecht en Regge en Niers:

36. Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht

38. Uiterwaarden IJssel*

39. Vecht en Beneden-Reggegebied

66. Uiterwaarden Neder-Rijn*

67. Gelderse Poort*

68. Uiterwaarden Waal*

70. Zuider Lingedijk & DiefdijkZuid

71. Loevestein, Pompveld & Kornsche Boezem 81. Kolland & Overlangbroek

82. Uiterwaarden Lek

105. Zouweboezem

108. Oude Maas

111. Hollands Diep

112. Biesbosch

141. Oeffelter Meent

143. Zeldersche Driessen

152. Grensmaas

Nederlandse rivierengebied van groot internationaal belang voor groot aantal habitattypen en soorten. Rivieren toegangspoort voor groot aantal soorten. Voor niet-broedvogels en broedvogels levert Rivierengebied relatief grote bijdrage binnen Nederland.

Voor een groot aantal geheel, of in belangrijke mate, aan het rivierengebied gebonden habitattypen, is Nederland van relatief groot belang. Dit geldt voor de zachthoutooibossen, hardhoutooibossen, stroomdalgraslanden en glanshaver- en vossenstaarthooilanden. Van nature is het rivierengebied ook van belang voor krabbenscheerbegroeiingen het type komt thans slechts sporadisch voor.

De Nederlandse rivieren zijn voor bijna alle trekvissen van belang als migratieroute tussen paaigronden en de rest van het leefgebied.

Daarnaast is het rivierengebied van grote betekenis als broedgebied voor een aantal moerasvogels. Een deel van deze vogels is aangewezen op rietmoerassen (b.v. roerdomp woudaap, grote karekiet en snor) en een deel op jonge verlandingsstadia (porseleinhoen en zwarte stern). Ook voor soorten van vochtige graslanden en ruigten, zoals de kwartelkoning is dit landschap van groot belang.

Bij niet-broedvogels is het rivierengebied van bijzonder betekenis voor planteneters, met name voor wilde zwaan, toendrarietgans en kolgans. Daarnaast is het rivierengebied van nationale en internationale betekenis voor foeragerende en rustende kieviten en grutto’s tijdens de trek.

Door de grote hoeveelheid aan gradiënten levert het rivierengebied een grote bijdrage aan de biodiversiteit.

Op hoofdlijnen zijn de volgende knelpunten te onderscheiden (grotendeels op basis van Ministerie van LNV, 2006):

  • Te weinig verbinding tussen binnendijkse en buitendijkse gebieden (bossen, moerassen en beeksystemen), dat vooral voor vissen en amfibieën een probleem is.

  • Te weinig afwisseling tussen open en gesloten gebieden en hoog- en laagdynamische gebieden.

  • Barrières binnen de trekroutes van vissen richting zee en het achterland.

  • Achteruitgang kwaliteit rietmoeras en krabbenscheervegetaties als leefgebied van moerasvogels door knelpunten in de hydrologie (kwantiteit en kwaliteit).

  • Te weinig morfodynamiek (erosie- en sedimentatieprocessen) waardoor te weinig zand wordt afgezet voor habitattypes als stroomdalgraslanden.

  • Afname kwaliteit habitattypen (stroomdalgraslanden en glanshaver- en vossenstaarthooilanden) door stikstofdepositie.

Versnippering, verdroging en stikstofdepositie zijn drukfactoren die hierbij horen.