Samenhangende effecten in haven- en Industriegebieden

De grote zeehavens zijn voor de internationale positie en economische kracht van Nederland essentieel. Met Rotterdam als verreweg de grootste haven van Europa is het een belangrijke toegangspoort tot de Europese markt van 500 miljoen consumenten en met een overslag van 465 miljoen ton een belangrijk knooppunt voor de wereldwijde goederenstromen. Ook Amsterdam als de nummer vier van Europa [1], de haven van Vlissingen (in samenhang met Terneuzen en Gent) en Eemshaven hebben hierin een aandeel. Het haven- en industriegebied van Rotterdam is één van ’s werelds grootste olie- en chemiecentra. Ook heeft Rotterdam het grootste biobased cluster van Europa. Andere grote industrieclusters in Nederland betreffen Eemshaven, IJmuiden/Noordzeekanaalgebied, Terneuzen/Vlissingen en Chemelot.

Het onderstaande plaatje is interactief. Door op 1 van de 4 paarse cirkels met handjes te klikken verschijnt er een pop-up. In de pop-up wordt aangegeven welke conflicterende claim het betreft. Tevens worden de belangrijkste aspecten van het Rad van de Leefomgeving die door deze conflicterende claim worden beïnvloed verder toegelicht. De uitgebreide tekst is tevens onder het plaatje terug te vinden.

Interactieve visual

Figuur 4.13 | Samenhangende keuzes in haven- & industriegebieden

In haven- en industriegebieden komen de hierna volgende keuzes samen die onderling kunnen conflicteren (zie bovenstaand figuur voor nummering). Andere keuzes leiden niet tot grote, onoverkomelijke conflicterende claims in haven- en industriegebieden. Mogelijk kunnen wel condities en voorwaarden vanuit het ene gebruik aan de uitvoering van een ander gebruik worden gesteld, bijvoorbeeld: bij de locatiekeuze voor nieuwe woningbouw moet de bereikbaarheid en het functioneren van de haven gegarandeerd blijven.

Hieronder worden de conflicterende claims die spelen in de haven- en industriegebieden kort toegelicht:

Ruimte voor zeehavens vs. natuur, landschap, recreatie & leefmilieu

Eventuele uitbreiding van havengebieden kan ten koste gaan van aanwezige natuurwaarden, landschappelijke waarden en recreatieve voorzieningen. Intensivering van het ruimtegebruik in de havens kan negatieve effecten hebben op de milieukwaliteit (lucht, geluid, stank, omgevingsveiligheid) in de havengebieden. Er kan dus druk ontstaan op het leefmilieu (beleidskeuze 2.2).

Fysieke ruimte is nodig om de groei van de havens te accommoderen en de positie van onze havens te behouden en te versterken. Het bieden van ruimte voor zeehavens lijkt in lijn te zijn met de bestaande mainportstrategie, waardoor er ten opzichte van de referentiesituatie weinig kansen en risico’s te verwachten zijn. Daarnaast maken andere functies (met name woningbouw en regionale bereikbaarheid) aanspraak op de ruimte van de havens van Rotterdam en met name Amsterdam, die daarmee onder flinke druk staan. De belangrijkste aspecten van het Rad van de Leefomgeving die door deze conflicterende claim beïnvloed worden zijn:

  • Milieugezondheidsrisico: Bij het intensiveren en/of het uitbreiden van havengebieden zal de geluidhinder toenemen en de luchtkwaliteit verslechteren. Dit geeft risico’s voor het leefmilieu en speciaal voor gebruiksfuncties die gevoelig zijn voor geluid (in de zin van de Wet geluidhinder) en een slechtere luchtkwaliteit (Rijkswaterstaat & Royal HaskoningDHV, 2014). Wel kunnen er compenserende maatregelen worden genomen en gebiedsgericht en flexibel met milieunormen om worden gegaan. Mogelijk is Haven-Stad Amsterdam hiervoor een interessant voorbeeld, al maakt de uitspraak van de rechter met betrekking tot het Zaanse Hembrugterrein helder dat milieukwaliteit scherpe eisen stelt aan een eventuele transformatie naar een woongebied (Antea Group, 2017).

  • Milieurampen: Het intensiveren en/of uitbreiden van de ruimte voor zeehavens biedt ruimte voor de vestiging en uitbreiding van risicobronnen, waarbij er sprake zal zijn van een toename van het transport van gevaarlijke stoffen en risico’s op het overschrijden van veiligheidscontouren (Arcadis, 2017). Daarentegen zijn deze risico’s bij andere gebruiksfuncties als natuur, landschap en recreatie er in mindere mate (Rijkswaterstaat & Royal HaskoningDHV, 2014).

  • Werkgelegenheid en verdienvermogen: Het intensiveren en/of uitbreiden van de ruimte voor zeehavens biedt kansen voor een groei in de werkgelegenheid en het verdienvermogen. Daarentegen zijn deze kansen bij andere gebruiksfuncties als natuur, landschap en recreatie er in mindere mate (Royal HaskoningDHV, 2018; Royal HaskoningDHV, 2011).

  • Ruimte voor zeehavens kan kansen bieden voor de aanwezigheid van vestigingslocaties voor bedrijven, maar kan risico’s meebrengen voor de aanwezige ruimte voor andere gebruiksfuncties, zoals natuur, landschap en recreatie. Wanneer er ruimte wordt geboden aan deze gebruiksfuncties is de milieugebruiksruimte voor zeehavens (en daarmee vestigingslocaties voor bedrijven) kleiner (Royal HaskoningDHV, 2018; Royal HaskoningDHV, 2011). Met natuur- en landschap inclusief ontwerp en beheer kan rekening worden gehouden met deze functies.

Ruimte voor energie-intensieve industrie vs. bestaande havenactiviteiten en industrie

Het benutten van reststoffen door de industrie en restwarmte door tuinbouw, kantoren en woningen stelt eisen aan de nabijheid van aanbieders en gebruikers. Havengebieden en industriegebieden worden daarom getransformeerd. Nieuwe industrieën moeten slim worden gelokaliseerd ten opzichte van zowel de potentiële energiegebruikers als de energie-infrastructuur, om enerzijds overschotten (warmte) en (anderzijds) tekorten (elektriciteit) via het netwerk te kunnen voorkomen. De ruimte die nodig is voor de energie-intensieve industrie kan ten koste gaan van andere functies zoals de bestaande havenactiviteiten en industrie. Als dat geval zou zijn, ontstaat extra druk op gebieden in de directe nabijheid van de haven die (nog) geen havenfunctie vervullen (beleidskeuze 2.1 en 2.2).

De groei van haven- en industriële activiteiten heeft een grote impact op de fysieke leefomgeving en vergt mogelijk extra fysieke ruimte. Met betrekking tot die opslag zijn ondergronds nieuwe infrastructuren nodig voor restwarmte, waterstof en ondergrondse CO2-opslag en –transport. Bovengronds is het ruimtebeslag ook aanzienlijk, met meer windturbines, zonneweides, nieuwe hoogspanningsleidingen en decentrale opwekkingseenheden. De aanlanding van grootschalige opgewekte wind op zee biedt goede vestigingsvoorwaarden voor hoogwaardige energie-intensieve bedrijven (zoals datacenters) en de verduurzaming van de industrie ter plaatse. Het bieden van ruimte voor energie-intensieve industrie kan bestaande havenactiviteiten en industrie verdringen. De belangrijkste aspecten van het Rad van de Leefomgeving die door deze conflicterende claim beïnvloed worden zijn:

  • Vestigingslocaties: Energie-intensieve industrie (zoals datacenters) kan de beschikbare ruimte voor andere havenactiviteiten (b.v. containerterminals) onder druk zetten en mogelijk verminderen. Echter, er komt op termijn ook ruimte doordat fossiele industrie in mindere mate nodig is (Arcadis, 2017). Er is voornamelijk een verandering in de invulling van de aanwezige soorten industrie. Hoe dit in de praktijk zal uitpakken is op het niveau van de NOVI niet in te schatten.

  • Energienetwerk: Invulling met diverse vormen van energie-intensieve industrie vraagt ter plaatse van aanlandingsplekken een intensivering van het energienetwerk en biedt kansen voor het verder accentueren van het industrieel karakter van een havengebied ten opzichte van bestaande havenactiviteiten en industrie (Royal HaskoningDHV, 2013).

Ruimte voor duurzame transities vs. bestaande havenactiviteiten en industrie

De ruimte voor havens is extra nodig omdat gedurende langere tijd op- en overslag van zowel fossiele als niet fossiele brandstoffen zullen plaatsvinden en de lineaire en circulaire economie in de energietransitiefase naast elkaar zullen blijven bestaan. Hetzelfde geldt voor opslag, overslag, transport en gebruik van fossiele én niet fossiele brandstoffen. De extra benodigde ruimte kan ten koste gaan van bestaande havenactiviteiten en industrie. Als dat geval zou zijn, ontstaat extra druk op gebieden in de directe nabijheid van de haven die (nog) geen havenfunctie vervullen (beleidskeuze 2.2).

Naast bestaande havenactiviteiten en industrie vragen duurzame transities extra ruimte voor circulaire en bio-based productiefaciliteiten en verzamelplekken om gebruikte producten een nieuw leven te geven (bouwgrondstoffen- en andere –hubs). Anderzijds is op termijn minder ruimte nodig voor traditionele afvalverwerking. De belangrijkste aspecten van het Rad van de Leefomgeving die door deze conflicterende claim beïnvloed worden zijn:

  • Vestigingslocaties: Ruimte voor verzamelplekken/hubs kan de beschikbare ruimte voor andere havenactiviteiten (b.v. containerterminals) verminderen. Echter, wanneer er geen ruimte wordt geboden voor dergelijke hubs zijn er risico’s dat een circulaire economie (en daarmee het grondstoffenbehoud) niet van de grond komt.

  • Verdienvermogen: De bestaande havenactiviteiten en industrie leveren meer op in vergelijking tot verzamelplekken. Het bieden van ruimte voor verzamelplekken biedt dus risico’s, omdat andere gebruiksfuncties mogelijk meer rendabel zijn.

Ruimte voor verstedelijking vs. bestaande havenactiviteiten

Andere functies (met name woningbouw en regionale bereikbaarheid) maken aanspraak op de ruimte van de havens van Rotterdam en met name Amsterdam, die daarmee flink onder druk staan. Uitbreidingsplannen voor woningbouw kunnen op gespannen voet staan met bestaande havenactiviteiten en industrie en de (milieu)ruimte die daarvoor noodzakelijk is (beleidskeuze 2.1, 2.2 en 2.3).

Wanneer de verstedelijkingsstrategie van de NOVI wordt gevolgd, wordt voorafgaand aan besluiten over aantallen woningen, voorzieningen, etc. helder welke milieu- c.q. leefomgevingskwaliteiten spelen en of, en zo ja in hoeverre, er ruimte is voor woonfuncties in huidige haven- en industriegebieden. Wanneer toch wordt gekozen voor deze transformatie, dan zijn aanvullende, gerichte maatregelen noodzakelijk, b.v. verplaatsing van haven- en industrieactiviteiten. Mocht ervoor gekozen worden de transformatie niet of maar ten dele uit te voeren, dan zullen nieuwe stedelijke functies elders moeten worden geaccommodeerd. De belangrijkste aspecten van het Rad van de Leefomgeving die door deze conflicterende claim beïnvloed worden zijn:

  • Milieugezondheidsrisico: Bij het intensiveren en/of uitbreiden van havengebieden zal de geluidhinder toenemen en de luchtkwaliteit verslechteren. Dit geeft risico’s voor het leefmilieu en speciaal voor gebruiksfuncties die gevoelig zijn voor geluid (in de zin van de Wet geluidhinder) en een slechtere luchtkwaliteit (Rijkswaterstaat & Royal HaskoningDHV, 2014). Wel kunnen er compenserende maatregelen worden genomen en gebiedsgericht en flexibel met milieunormen om worden gegaan. Mogelijk is Haven-Stad Amsterdam hiervoor een interessant voorbeeld, al maakt de uitspraak van de rechter met betrekking tot het Zaanse Hembrugterrein helder dat milieukwaliteit scherpe eisen stelt aan een eventuele transformatie naar een woongebied (Antea, 2017).

  • Milieurampen: Het uitbreiden van de ruimte voor havens biedt ruimte voor de vestiging en uitbreiding van risicobronnen, waarbij er sprake zal zijn van een toename van het transport van gevaarlijke stoffen en risico’s op het overschrijden van veiligheidscontouren (Arcadis, 2017). Daarentegen zijn deze risico’s bij verstedelijking er in mindere mate (Rijkswaterstaat & Royal HaskoningDHV, 2014).

  • Werkgelegenheid en verdienvermogen: De bestaande havenactiviteiten bieden kansen voor een groei in de werkgelegenheid en het verdienvermogen. Daarentegen zijn deze kansen bij andere gebruiksfuncties, zoals wonen, er in mindere mate (Royal HaskoningDHV, 2018; Royal HaskoningDHV, 2011).

  • 1 De grootste Europese zeehavens in tonnage zijn: (1) Rotterdam, (2) Antwerpen, (3) Hamburg, (4) Amsterdam, (5) Algeciras, (6) Marseille en (7) Bremen/Bremerhaven