Samenhangende effecten in het landelijk gebied

Het landelijk gebied biedt ruimte aan een groot aantal verschillende gebruiksfuncties, waaronder landbouw, wind- en zonne-energie, natuur, wonen, infrastructuur, industrie-, kantoor- en bedrijventerreinen, glastuinbouwcomplexen en recreatievoorzieningen. Het gedereguleerde landschapsbeleid heeft geleid tot een versnippering van het landschap. Het Nederlandse landschap staat onder druk door de grote vraag naar woningbouw (13.000 tot 17.000 ha. extra tot 2040), de uitbreiding van natuurgebieden (tot 2027 totaal 670.000 ha NNN) en nieuwe ruimteclaims van transitieopgaven in de landbouw, namelijk: energietransitie en klimaatadaptatie. Op sommige plekken zullen grote landschappelijke veranderingen noodzakelijk zijn, op andere plekken zal het gaan om geringe aanpassingen (PBL, 2019).

Het onderstaande plaatje is interactief. Door op 1 van de 4 paarse cirkels met handjes te klikken verschijnt er een pop-up. In de pop-up wordt aangegeven welke conflicterende claim het betreft. Tevens worden de belangrijkste aspecten van het Rad van de Leefomgeving die door deze conflicterende claim worden beïnvloed verder toegelicht. De uitgebreide tekst is tevens onder het plaatje terug te vinden.

Figuur 4.12 | Samenhangende keuzes in het Landelijk gebied

In het landelijk gebied komen de hierna volgende keuzes samen die onderling kunnen conflicteren (zie bovenstaand figuur voor nummering). Andere keuzes leiden niet tot grote, onoverkomelijke conflicterende claims in het landelijk gebied. Mogelijk kunnen wel condities en voorwaarden vanuit het ene gebruik aan de uitvoering van een ander gebruik worden gesteld, bijvoorbeeld: de uitbreiding van woningbouwlocaties kan vooral plaatsvinden buiten gebieden met een hoge landschappelijke kwaliteit.

Hieronder worden de conflicterende claims die spelen in het landelijk gebied kort toegelicht:

Ruimte voor transitie kringlooplandbouw vs. overig landgebruik

De landbouw legt de grootste ruimteclaim in het landelijk gebied en zorgt voor een grote uitstoot en een verslechterde bodemkwaliteit. Kringlooplandbouw biedt mogelijkheden om ecosysteemdiensten te verduurzamen en de bodemkwaliteit te verbeteren. Kringlooplandbouw vereist bij gelijkblijvende waarde meer ruimte wat kan leiden tot een conflict met andere maatschappelijke gebruiksfuncties, zoals natuur, landschap, water, energie en woningbouw (beleidskeuze 4.3).

Landbouw is een belangrijke economische sector voor Nederland en is van belang voor de voedselvoorziening, economie en werkgelegenheid. De intensieve vormen van de Nederlandse landbouw kunnen hoge stikstof- en fosfaatuitstoot, verdroging en een negatieve impact op de bodemkwaliteit veroorzaken. Bij kringlooplandbouw gebruiken akkerbouw, veehouderij en tuinbouw grondstoffen uit elkaars ketens en reststromen uit de voedingsmiddelenindustrie en voedingsketens. Kringlooplandbouw biedt met een efficiënter gebruik van meststoffen, gewasbeschermingsmiddelen en zoet water mogelijkheden om emissies te laten afnemen en de luchtkwaliteit te verbeteren. Ook zijn er kansen om ecosysteemdiensten o.a. op het gebied van waterberging, zoet- en drinkwatervoorziening, bodemvruchtbaarheid en biodiversiteit te verduurzamen en te verbeteren. “De inzet van het kabinet is dat kringlopen van grondstoffen en hulpbronnen in 2030 op een zo laag mogelijk – nationaal of internationaal – schaalniveau zijn gesloten en dat Nederland koploper is in kringlooplandbouw.” (Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, 2018, Visie Landbouw, Natuur en Voedsel: Waardevol en Verbonden p. 20). Ruimte voor kringlooplandbouw vereist bij gelijkblijvende waarde meer ruimte dit geeft een conflict met andere maatschappelijke gebruiksfuncties, zoals water, energie, natuur en woningbouw. Innovatie in niet grond gebonden landbouw, denk aan kassen, zou deze spagaat juist kunnen doorbereken. Kassen combineren met wind en zon is kansrijk. De belangrijkste aspecten van het Rad van de Leefomgeving die door deze conflicterende claim beïnvloed worden zijn (WUR, 2017):

  • Bodem en ondergrond: De intensieve vormen van landbouw kunnen leiden tot een verslechterde bodemkwaliteit door een hoog gebruik van meststoffen en gewasbeschermingsmiddelen. Europees beleid (nitraatrichtlijn, Kaderrichtlijn Water, NEC-richtlijn voor ammoniak, gewasbeschermingsmiddelenrichtlijn) draagt bij aan de vermindering van de milieudruk van de huidige intensieve landbouw. Door intensieve landbouw in te vullen met kringlooplandbouw kan er sprake zijn van een verminderd gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en dierlijke meststoffen en. Een verminderd gebruik van meststoffen en gewasbeschermingsmiddelen biedt nog meer kansen (boven op huidig EU-beleid) voor een betere bodemkwaliteit (afname van de belasting van de bodem met stikstof, fosfaat en zware metalen).

  • Emissies en vastlegging van broeikasgassen: De emissies naar de lucht hebben betrekking op de emissies door landbouwdieren, mest van landbouwdieren en bemesting van dierlijke mest en kunstmest op landbouwgrond in Nederland. Door intensieve landbouw in te vullen met kringlooplandbouw kan er sprake zijn van een afname van het gebruik van dierlijke- en kunstmest en aantallen dieren. Deze afname gaat doorgaans gepaard met een afname van de emissie van de broeikasgassen methaan (CH4) en lachgas (N2O)

Ruimte voor transformatie veenweidegebieden vs. overig landgebruik

Een verhoging van het waterpeil in veenweidegebieden kan bijdragen aan het maximaal tegengaan van bodemdaling en CO2-emissies in veenweidegebieden. Een verhoging van het waterpeil in veenweidegebieden kan een conflict geven met andere landschappelijke gebruiksfuncties, zoals landbouw, wonen en infrastructuur (beleidskeuze 4.1).

Veenweidegebieden hebben karakteristieke landschappelijke waarde en zijn te herkennen aan de openheid, de karakteristieke dijk- en lintdorpen, de veelal historische smalle strokenverkaveling en watergangen. Door de ontwatering van veengebieden voor landbouwkundig gebruik wordt de grondwaterstand onder het maaiveld gehouden (drooglegging). Het drooggelegde veen oxideert en leidt tot emissie van CO2, bodemdaling, droogte, verzilting en druk op de biodiversiteit. Om de huidige landbouwfunctie (veeteelt) van veenweidegebieden te behouden, zullen steeds meer maatregelen genomen moeten worden om water af te voeren. Afhankelijk van de uitwerking in vervolgbesluiten brengt peilverhoging kansen voor natuur (o.a. biodiversiteit), landschap en stikstofdepositie (Alliantie Markermeerdijken, 2017; Dienst Landelijk Gebied & Tauw, 2015; Tauw, 2017; Royal HaskoningDHV, 2018). De belangrijkste aspecten van het Rad van de Leefomgeving die door deze conflicterende claim beïnvloed worden zijn:

  • Emissie en vastlegging van broeikasgassen en bodemdaling: Door oxidatie van veen daalt de bodem en stijgt de CO2-emissie. Vernatting, oftewel verhoging van het waterpeil, biedt kansen om veenoxidatie te beperken en daarmee de CO2-uitstoot te verminderen. Bij het instandhouden of verlagen van het huidige waterpeil zal een toename van de bodemdaling en CO2-uitstoot plaatsvinden (LTO, 2018; Dienst Landelijk Gebied & Tauw, 2015).

  • Biodiversiteit: Bij verhoging van het waterpeil krijgen kenmerkende natuurwaarden in met name de veenweidegebieden meer ruimte voor natte natuur, waardoor biodiversiteit (b.v. internationaal belangrijke weidevogelpopulaties) en natuurwaarden kunnen toenemen. Vernatting van een gebied kan ook zorgen voor licht negatieve effecten op grondgebonden (beschermde) diersoorten. Bij het behouden van het waterpeil zijn er geen kansen voor de biodiversiteit (Reinks et. All, 2002; Royal HaskoningDHV, 2018; Dienst Landelijk Gebied & Tauw, 2015).

  • Economische vitaliteit: de transformatie van het veenweidegebied biedt ontwikkelingskansen voor het creëren van specifieke woon- en werkmilieus. Ook ontstaat er ruimte voor andere economische sectoren (bijvoorbeeld recreatie gerelateerd). Aan de andere kant is er sprake van risico’s voor de landbouwsector als gevolg van het opzetten van het waterpeil. Dit kan ten koste gaan van werkgelegenheid, verdienvermogen en vestigingslocaties landbouw.

Ruimte voor grootschalige energielandschappen vs. overig landgebruik

In het kader van de energietransitie wordt steeds meer ruimte geboden aan energieproductie op land (windparken en zonneweides). Ruimte voor dergelijke grootschalige energielandschappen (zonneweides en/of windturbineparken) leidt tot (ruimte) beperkingen voor (of verstoring van) andere gebruiksfuncties, zoals landbouw, natuur, landschap, water en wonen (beleidskeuze 1.4).

Veranderingen in de energievoorziening kunnen de komende jaren een grote impact krijgen. Grootschalige energielandschappen (windparken en zonneweides) hebben een groot ruimtelijk beslag en kunnen, afhankelijk van de locatie, een grote impact hebben op de belevingswaarde van het landschap, natuur, externe veiligheid, hinder (geluid en slagschaduw) en gebruiksruimte van overige functies (o.a. landbouw, wonen, recreëren). Clustering vermindert de ruimtelijke afwenteling, kan beter afgestemd worden met het hoofd-elektriciteitsnetwerk en leidt tot lagere kosten. Zonneweides of windturbines kunnen ook economische dragers voor het landelijk gebied worden. Productie van duurzame energie levert inkomsten op voor de landbouw en kan vooral kansen bieden in gebieden waar landbouw onder druk staat. De belangrijkste aspecten van het Rad van de Leefomgeving die door deze conflicterende claim beïnvloed worden zijn:

  • Waardevolle landschappen: Er is een grote kans dat de beleving van landschappelijke kwaliteiten sterk wordt beïnvloed. Moderne windturbines kunnen bij heldere atmosferische condities en in open landschappen vanaf 10 km goed zichtbaar zijn. Grootschalige windparken kunnen daarom een verstorend effect hebben op open landschappen (horizonvervuiling en belevingswaarde). Bij bepaalde landschapstypen, zoals grootschalige haven- en industriecomplexen en dijken, snelwegen, bruggen of sluizen kunnen de risico’s kleiner zijn en zijn er kansen voor meervoudig ruimtegebruik. Hier spelen echter vaak veiligheidsrisico’s en is er beperkte vrije ruimte. Bij overige vormen van landgebruik, zoals natuur, kunnen de risico’s voor de verstoring van waardevolle landschappen kleiner zijn en eventueel zelfs kansen bieden (Royal HaskoningDHV, 2013).

  • Natuur: Windturbines leveren risico’s voor (trek)vogels en vleermuizen. Als gevolg van de bladen kunnen er slachtoffers ontstaan.

Ruimte voor windenergie vs. ruimte voor zonne-energie

In het energieakkoord is afgesproken om in 2020, 6.000 MW windenergie in gebruik te hebben en ontwikkeling van windenergie op land te bevorderen. In energielandschappen kunnen windturbines samengaan met zonnevelden en er zijn goede combinaties met netaansluiting mogelijk. Indien grootschalige zonneweides al aanwezig zijn, zijn windturbines echter moeilijk in te passen; de ruimte is beperkt (beleidskeuze 1.4).

In een robuust energienetwerk is sprake van verschillende vormen van energieproductie. Hierbij kan men o.a. de keuze maken tussen windenergie en zonne-energie. In beide gevallen moet er rekening gehouden worden met de mogelijke impact op waardevolle landschappen. Een nadeel van zonneweides is dat deze bij gelijkblijvende productie een groter ruimtebeslag hebben dan moderne windturbines, maar zonneweides kunnen ook minder risico’s vormen voor natuur, veiligheid en geluidhinder. Zo kunnen zonneweides kansen bieden voor biodiversiteit, omdat tussen de zonnepanelen ruimte ontstaat voor natuurwaarden (BügelHajema, 2018; Pardal, 2018). De belangrijkste aspecten van het Rad van de Leefomgeving die door deze conflicterende claim beïnvloed worden zijn:

  • Natuur: Windturbines vormen een risico voor de biodiversiteit, met name voor trekvogels en vleermuizen. Daarentegen kunnen zonneweides een geschikt biotoop vormen voor grondgebonden zoogdieren, amfibieën en foerageergebied voor vogels (BügelHajema, 2018; Pardal, 2018).

  • Milieugezondheidsrisico (geluidhinder): Veel losstaande bebouwing in een gebied kan bepalend zijn voor de mogelijkheden van plaatsing van windturbines, omdat deze tegen overmatige geluidhinder beschermd moeten worden. Bij zonneweides is er geen sprake van geluidhinder (BügelHajema, 2018; Pardal, 2018) maar wel van schittering.