Samenhangende effecten in stedelijke regio’s

Stedelijke regio’s zijn, naast de haven en industrieregio’s, belangrijke economische motoren. In stedelijke regio’s met een sterke economische structuur is het beleid ook gericht op factoren die belangrijk zijn voor groei, innovatie en het creëren van aantrekkelijke, leefbare plekken om te wonen en werken (PBL, 2017). De gebruiksruimte in stedelijke regio’s staat onder druk door een toename van de benodigde ruimte voor nieuwe woningen binnen bestaand bebouwd gebied (13.000 tot 17.000 ha extra in 2040), infrastructuur (o.a. OV-systemen), voorzieningen en bedrijvigheid. Voor de kwaliteit van het stedelijk leven en de aantrekkelijkheid van de stad moet een gezonde en veilige leefomgeving geborgd worden met ruimte voor groen, water, klimaat- en energieopgaven (PBL, 2019). De verstedelijking en de ontwikkeling verschilt per regio.

Het onderstaande plaatje is interactief. Door op 1 van de 4 paarse cirkels met handjes te klikken verschijnt er een pop-up. In de pop-up wordt aangegeven welke conflicterende claim het betreft. Tevens worden de belangrijkste aspecten van het Rad van de Leefomgeving die door deze conflicterende claim worden beïnvloed verder toegelicht. De uitgebreide tekst is tevens onder het plaatje terug te vinden.

Interactieve visual

Figuur 4.11 | Samenhangende keuzes in stedelijke regio’s

In stedelijke regio’s komen de volgende keuzes samen (zie bovenstaand figuur). Andere keuzes leiden niet tot grote, onoverkomelijke conflicterende claims in stedelijke regio’s. Mogelijk kunnen wel condities en voorwaarden vanuit het ene gebruik aan de uitvoering van een ander gebruik worden gesteld, bijvoorbeeld: de uitbreiding van woningbouwlocaties kan energieneutraal en klimaatbestendig worden uitgevoerd. De ontwikkeling van woon- en werklocaties moet plaatsvinden ter hoogte van OV-knooppunten of bestaande infrastructuur en alleen daar waar de milieukwaliteit (met name lucht, geluid, stank, omgevingsveiligheid) daar ruimte voor biedt.

Hieronder worden de samenhangende effecten die spelen in stedelijke regio’s kort toegelicht:

Ruimte voor woon- en werklocaties vs. bereikbaarheid

Voor een goed (internationaal) vestigingsklimaat is het van belang dat woon- en werklocaties goed bereikbaar zijn. Investeringsruimte voor infrastructuur kan conflicten geven met de opgave voor compacte verstedelijking. Woon- en werklocaties kunnen worden geconcentreerd nabij bestaande OV-knooppunten, wegen, nieuwe ontwikkellocaties. De lokalisering van woon- en werklocaties heeft invloed op de mobiliteitsdruk en de benodigde investeringsruimte voor infrastructuur (beleidskeuze 3.1 en 3.6).Wanneer de milieukwaliteit voldoende goed is, kunnen woon- en werklocaties worden geconcentreerd:

  1. Nabij bestaande OV-knooppunten (b.v. REOS-toplocaties, zoals Schiphol, Zuidas, Utrecht Stationsgebied, Den Haag Central Innovation District, de binnenstad van Rotterdam en de stationsomgeving Eindhoven).

  2. Op locaties waar er sprake is van een goede bereikbaarheid over de weg.

  3. Nog te ontwikkelen locaties op plekken waar bereikbaarheid (via de weg of het OV) nog moet worden gerealiseerd.

De lokalisering van woon- en werklocaties heeft invloed op de mobiliteitsdruk en de benodigde investeringsruimte voor infrastructuur. Een belangrijke ruimtelijke factor voor de (internationale) concurrentiepositie van regio’s is een goede fysieke bereikbaarheid. Door compacte verstedelijking kan de bereikbaarheid worden verbeterd, bijvoorbeeld doordat meer woningen en arbeidsplaatsen in of nabij steden en nabij openbaarvervoerhaltes en snelwegopritten komen te liggen. Ook zijn er in compacte stedelijke regio’s meer bestemmingen op korte afstand bereikbaar. Echter, tegelijkertijd zijn er ook risico’s op een verslechtering van de bereikbaarheid door een toename van de congestie maar ook door een grotere spreiding van wonen en werken binnen de regio's, waardoor reistijden per openbaar vervoer en fiets toenemen. Indirect kan dit ook risico’s vormen voor o.a. de aantrekkelijkheid van vestigingslocaties en een gezonde en veilige leefomgeving (Royal HaskoningDHV, 2011).

De belangrijkste aspecten van het Rad van de Leefomgeving die door deze conflicterende claim (concentreren van woon- en werklocaties nabij bestaande OV-knooppunten, wegen of nieuwe ontwikkellocaties) beïnvloed worden zijn:

  • Bereikbaarheid: Het inzetten op het concentreren van woon- en werklocaties nabij bestaande OV-knooppunten legt extra druk op het al steeds drukker wordende OV (Programma Toekomstbeeld OV, 2019). Het inzetten op het concentreren van woon- en werklocaties nabij wegen kan extra druk leggen op het bestaande wegennet. Dit kan risico’s geven voor de bereikbaarheid van bepaalde stedelijke gebieden via de weg of via het OV. Wanneer er sprake is van nog te ontwikkelen locaties zijn er kansen om de bereikbaarheid te verbeteren, b.v. door multimodaliteit en multimodale knooppunten, waarbij ruimtelijk een bundeling van functies tot stand komt (Royal HaskoningDHV, 2011; Min. I&M 2012a; Min. I&M 2012b).

  • Uitstoot broeikasgassen: Stedelijke functies brengen, via energiegebruik, uitstoot van broeikasgassen met zich mee. Maar ook fijn stof en NOx. Onder andere vervoer via de weg brengt risico’s op een grotere CO2-uitstoot, externe veiligheidsrisico’s, verkeersveiligheid en de milieukwaliteit en gezondheid van gebieden (toename geluidhinder, verslechtering luchtkwaliteit). Bij kortere afstanden is de concurrentiepositie van het openbaar vervoer beter en zijn de risico’s op CO2-uitstoot, externe veiligheid en milieukwaliteit en gezondheid kleiner (Royal HaskoningDHV, 2011; Arcadis, 2017). Wanneer er sprake is van nog te ontwikkelen locaties zijn er kansen om risico’s te mitigeren.

  • Economische vitaliteit: Een efficiënter gebruik van een mobiliteitssysteem levert tijd op (afname knelpunten en files) en daarmee een toename van het verdienvermogen en werkgelegenheid.

Ruimte voor kantoren, winkels en bedrijfslocaties vs. ruimte voor wonen

Voor een goed (internationaal) vestigingsklimaat is het van belang dat er in stedelijke regio’s ruimte wordt geboden aan de realisatie van kantoren, winkels en bedrijfslocaties. Echter, deze ruimteclaim kan conflicteren met de opgave voor wonen en bereikbaarheid in de stad, alsmede met de opgave om te zorgen voor een goede milieukwaliteit (compacte verstedelijking in bestaand gebouwd gebied (beleidskeuze 3.4).

Op dit moment is er in bepaalde gebieden sprake van een overschot in de bestaande plancapaciteit in bestemmingsplannen, van functies waar minder behoefte aan is (PBL, 2016). Voor een goed (internationaal) vestigingsklimaat is het van belang dat er in stedelijke regio’s ruimte wordt geboden aan de realisatie van kantoren, winkels en bedrijfslocaties. Echter, wel daar waar de behoefte is. Daarnaast moet rekening gehouden worden dat deze opgave voor compacte (binnenstedelijke) verstedelijking risico’s met zich mee kan brengen voor (de realisatie van nieuwe) woningbouwlocaties.

De belangrijkste aspecten van het Rad van de Leefomgeving die door deze conflicterende claim beïnvloed worden zijn:

  • Vestigingsklimaat: Er kan sprake zijn van kansen voor een (internationaal) aantrekkelijk vestigingsklimaat, omdat er meer ruimte voor kantoren, winkels en bedrijven is om zich te vestigen. Een aandachtspunt hierbij is of de regionale en lokale bedrijven evenveel profiteren als internationale bedrijven. Dit kan risico’s met zich meebrengen waarbij de kwaliteit van de bedrijventerreinen zal afnemen met nadelige gevolgen voor het lokale en regionale economische vestigingsklimaat. Ruimte aan kantoren, winkels en bedrijven kunnen ook risico’s met zich meebrengen voor de milieukwaliteit en gezondheid, de veiligheid en daarmee de aantrekkelijkheid van woningbouwlocaties (Royal HaskoningDHV, 2011).

  • Veiligheidsrisico’s: Wettelijk is bepaald dat (beperkt) kwetsbare objecten, zoals woningen, niet toegestaan zijn in een PR10-6 contour van riscobronnen (b.v. bepaalde bedrijven). Meer risicobronnen betekent een toename van de veiligheidsrisico’s en de aanwezige ruimte voor woningbouwlocaties (Arcadis, 2017). Zorgvuldigheid en terughoudendheid met nieuwe woonfuncties is dus veelal op zijn plaats in (of in de nabijheid van) haven- en industriegebieden en bedrijventerreinen. Gehele of gedeeltelijke transformatie van dergelijke gebieden kan alleen wanneer de omgevingsveiligheid dat toelaat. Wanneer bedrijven (of de bedrijfsvoering) van karakter veranderen, aanvullende veiligheidsmaatregelen nemen of van locatie veranderen, kan dit anders komen te liggen.

  • Milieugezondheidsrisco: Een toename aan kantoren, winkels en bedrijfslocaties kan een toename betekenen van het aantal geluidgehinderden in de omgeving van deze locaties. Dit betekent risico’s voor de milieugezondheid van woningen in die omgeving.

  • Sociale samenhang: Detailhandel, horeca en maatschappelijke voorzieningen leveren een levendige en aantrekkelijke omgeving op. Hierdoor kan de sociale controle en daarmee sociale veiligheid van het gebied toenemen (Arcadis, 2017). Dit zorgt voor een aantrekkelijke omgeving om te wonen.

Ruimte voor duurzame transities vs. compacte verstedelijking

In stedelijke gebieden kan ruimte worden geboden aan duurzame transities, zoals de aanleg van energie infrastructuur, zonnepanelen op daken, warmtenetten én verzamelplekken/ hubs t.b.v. de transitie naar een circulaire economie (b.v. Energierijk Den Haag). Echter, ruimte voor duurzame transities kan conflicteren met de opgave voor wonen, werken en bereikbaarheid (compacte verstedelijking) (beleidskeuze 1.4 en 2.2).

De energievraag in stedelijke regio’s stijgt en daarmee ook de CO2-uitstoot. In stedelijke gebieden kan ruimte worden geboden aan duurzame transities, zoals de aanleg van energie infrastructuur, warmtenetten én verzamelplekken t.b.v. de transitie naar een circulaire economie (bijv. Energierijk Den Haag). Dergelijke duurzame transities claimen ruimte die niet door andere functies ingevuld kan worden. De belangrijkste aspecten van het Rad van de Leefomgeving die door deze conflicterende claim beïnvloed worden zijn:

  • Reductie emissie broeikasgassen: Door de inzet van duurzame transities, zoals restwarmte, geothermie, CO2-opslag (Carbon Capture & Storage) en de toename van het gebruik van het openbaar vervoer liggen er kansen voor de reductie van de emissie van broeikasgassen en vastlegging van CO2 ten opzichte van verstedelijking zonder duurzame transities (Witteveen+Bos, 2013; Royal HaskoningDHV, 2011; Gemeente Den Haag, 2015; Arcadis, 2017).

  • Het ontwikkelen van een bovenregionaal warmtenetwerk is kansrijk voor natuur en biodiversiteit, milieugezondheidsrisico (luchtkwaliteit) en het levert een bijdrage aan het behalen van duurzame energiedoelstelling ten opzichte van verstedelijking zonder duurzame transities (Witteveen+Bos, 2013; Royal HaskoningDHV, 2011; Arcadis, 2017).

  • Bodemenergiesystemen brengen verstoringen aan in diepere ondergrond. Ten opzichte van verdichting hebben duurzame transities daarom dus grotere risico’s voor de waterhuishouding en archeologische waarden.

  • Verzamelhubs zijn gericht op grondstoffenbehoud en het hergebruik van afval en bieden daarmee kansen voor een circulaire economie. Echter, er zijn ook milieugezondheidsrisco’s en risico’s op een verslechtering van de kwaliteit van de openbare ruimte. Tevens kunnen de locaties van verzamelhubs niet gebruikt worden voor andere functies, zoals wonen, voorzieningen en vestigingslocaties voor bedrijven.

Ruimte voor klimaatadaptatie, water, groen en gezonde leefomgeving vs. verstedelijking

Woon- en werklocaties kunnen ontwikkeld worden in relatie tot opgaven voor klimaatadaptatie, water en groen. Echter, de noodzaak om te zorgen voor gezonde woon-, werk- en leefomstandigheden, een goede milieukwaliteit en ruimte voor groen en water kunnen conflicteren met de opgave voor compacte verstedelijking (beleidskeuze 3.1, 3.4 en 3.5). Zonder gerichte, aanvullende maatregelen betekent compacte verstedelijking in de praktijk een verslechtering van de milieuomstandigheden.

Groen en water in en om de steden krijgt hier meer ruimte, zoals Amsterdam Zaan-IJ corridor (Havenstad), Utrecht Merwedekanaalzone, Eindhoven Strijp S, Den Haag Central Binckhorst en Rotterdam Innovation District (Min I&M, 2016). Echter, ruimte voor groen en water en de inzet om te komen tot betere milieuomstandigheden conflicteert met de opgave voor compacte verstedelijking. Hoe verstedelijking en het patroon van de verstedelijking de mogelijkheden voor klimaatadaptatie beïnvloeden is in NOVI niet concreet uitgewerkt. Dit onderwerp dient aan de orde te komen in de plannen waarin concrete woningbouwlocaties worden aangewezen en uitgewerkt. Hierin kunnen bijvoorbeeld bodemcondities en overstromingsgevoeligheid worden betrokken in de afweging (Royal HaskoningDHV, 2011). De belangrijkste aspecten van het Rad van de Leefomgeving die door deze conflicterende claim beïnvloed worden zijn:

  • Milieukwaliteit & gezondheid: Compacte verstedelijking gaat gepaard met een toenemende druk op de openbare ruimte en het leefmilieu in de stad en daarmee de bescherming van gezondheid. Meer inwoners, meer economische activiteit en meer mobiliteit en het intensiever combineren van functies leidt tot risico’s voor milieu en gezondheid door bijvoorbeeld een afname van de luchtkwaliteit, toename van geluidsoverlast en omgevingsveiligheid.

  • Klimaat: Meer ruimte voor groen en water biedt kansen om tot een klimaatbestendige inrichting te komen waar ruimte is voor waterberging. Zo zijn er kansen om de nadelige effecten van verharding, zoals hittestress, droogte en wateroverlast tegen te gaan. Uitbreiding en verdichting leidt tot een groei aan verhard oppervlak. Dit kan zorgen voor een toename aan wateroverlast en overstromingsrisico’s. Ook nemen de effecten (risico’s) bij een eventuele overstroming toe bij verdichting (Royal HaskoningDHV, 2011; Arcadis, 2017).

  • Biodiversiteit: Wanneer er meer ruimte wordt gecreëerd voor groen en water kan dit mogelijk ten koste gaan van bestaande bebouwing. Hierdoor bestaat het risico op verlies van bestaande vaste nest- en verblijfplaatsen van vogels en vleermuizen. Daarentegen biedt groen en water ruimte voor nieuwe biotopen en daarmee kansen voor een toename aan biodiversiteit. Bij verdichting is er minder ruimte voor groen en water en daarmee een risico voor de biodiversiteit (Royal HaskoningDHV, 2011; Arcadis, 2017). Door natuur inclusief ontwerp kan rekening worden gehouden met biodiversiteit; natuur inclusief ontwerp en beheer is daarvoor van belang.